Aleksandr Koltsjak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aleksandr Koltsjak als admiraal, 1916

Aleksandr Vasilevitsj Koltsjak (Russisch: Александр Васильевич Колчак) (Sint-Petersburg, 16 november 1874Irkoetsk, 7 februari 1920) was een Russisch admiraal onder de tsaar en politiek en militair leider van de Witten tijdens de Russische Burgeroorlog.

Biografie[bewerken]

Militaire carrière[bewerken]

Koltsjak werd geboren in een familie van militairen. Hij werd opgeleid voor een carrière bij de marine en diende van 1895 tot 1899 in Vladivostok. Daarna werd hij gelegerd in Kronstadt en nam hij in 1900 als hydroloog deel aan een poolexpeditie. Tijdens de Russisch-Japanse oorlog (1905) voerde hij het commando over een kruiser, waarmee hij meerdere Japanse schepen torpedeerde, onder meer tijdens de belegering van Port Arthur. Na de Russisch-Japanse oorlog had hij een belangrijke inbreng in de wederopbouw van de Russische vloot, die toen voor een belangrijk deel was vernietigd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog toonde hij zich een kundig organisator en werd hij bevorderd tot vice-admiraal en commandant van de Zwarte Zee-vloot.

Revolutie en burgeroorlog[bewerken]

Aleksandr Koltsjak als aanvoerder van de Witten, 1919

Na de Februarirevolutie (1917) wees Koltsjak tijdens een vergadering van de voorlopige regering op de demoralisatie in het leger en de noodzaak om de discipline in het land sterk aan te halen. Conservatieve krachten probeerden hem over te halen om het leiderschap in Rusland over te nemen, maar toen Kerenski daar lucht van kreeg sommeerde deze hem het land te verlaten. In augustus 1917 vertrok Koltsjak via Engeland naar Amerika.

Na de Oktoberrevolutie keerde Koltsjak via Japan en Mantsjoerije terug naar Rusland, naar Vladivostok. Daar liet hij zich uitroepen tot leider van de Voorlopige Regering van Autonoom Siberië (met dictatoriale allure; hij liet zich de ‘overste regent van Rusland’ noemen) en rekruteerde met Westerse steun een fors leger om de Bolsjewieken te bevechten. Aanvankelijk boekte Koltsjak belangrijke successen, drong hij door tot Omsk en Kazan, bij de Wolga, en maakte hij een enorme hoeveelheid ‘tsarengoud’ buit. In april 1919 leed hij echter bij Samara een smadelijke nederlaag tegen de Roden onder leiding van Froenze, mede te wijten aan de veel te lange bevoorradingslijnen, onvoldoende gekwalificeerde officieren, moreel verval onder zijn troepen (Omsk was in de tijd van de Witte bezetting vergeven van corruptie, casino’s en bordelen; ook Koltsjak zelf woonde er met een minnares, terwijl zijn vrouw en zoon zich in Parijs maar moesten zien te redden) en het onvermogen van de Witten om de lokale bevolking te mobiliseren (in steden en dorpen die ingenomen traden ze onbehouwen op, vorderden ze direct alle voorraden en wekten ze veel weerstand). Ook wordt door historici wel gezegd dat Koltsjak eigenlijk te vroeg ten strijde was getrokken, dat zijn troepen eigenlijk nog niet gevechtsklaar waren en dat hij beter had kunnen wachten tot Denikin vanuit de Oekraïne een tweede front had geopend.

In de zomer van 1919 stootte de Rode maarschalk Toechatsjevski door de Oeral en nadat in het najaar ook Omsk moest worden opgegeven trokken Koltsjaks troepen, 200.000 civilisten, zich meestens te voet door Siberië heen terug naar het verre Oosten.

Veroordeling en executie[bewerken]

Op 4 januari 1920 diende Koltsjak zijn ontslag in en reisde hij met een divisie Tsjechen naar Irkoetsk, waar hij verwachtte aan de geallieerde gezantschappen te worden overgedragen. Op de een of andere manier werd hij echter verraden en overgedragen aan de Bolsjewieken. De meest waarschijnlijke versie is dat hij samen met een deel van het Tsarengoud door de Tsjechen werd geruild voor een veilige doortocht voor hen naar Vladivostok. Op 21 januari werd hij ondervraagd door een commissie van vijf man, op 6 februari werd hij ter dood veroordeeld en de volgende ochtend werd hij doodgeschoten. Zijn lichaam werd begraven onder het ijs van de rivier de Angara.

Trivia[bewerken]

  • In november 2004 werd te Irkoetsk een monument ter ere van Kolsjak onthuld.

Literatuur en bronnen[bewerken]