Ali Hassan Salameh

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ali Hassan Salameh (Arabisch: ‏علي حسن سلامة, ʿAlī Ḥasan Salāma) (1940? - Beiroet, 22 januari 1979), bijgenaamd Abu Hassan en de Rode Prins, was het hoofd van de Fatah-tak en de terroristische organisatie 'Zwarte September' en het brein achter het bloedbad van München en andere terreuraanvallen. Hij was tevens de oprichter van Force 17. Salameh was de rechterhand van Yasser Arafat en mogelijk ook diens opvolger. Twee jaar na het bloedbad van München verschenen Arafat en Salameh samen in het VN-gebouw in New York.

Ali Hassan Salameh was de zoon van een Arabische terrorist, 'sjeik' Hassan Salameh, die samen met de Nazi's vocht voor de Arabische zaak en door hen tijdens operatie Atlas tijdens de zomer 1944 in Palestina geparachuteerd werd[1] . Zijn vrouw, de Libanese Georgina Rizk, was Miss Universe in 1971. Hij sloot zich in 1967 aan bij Al Fatah en stond in aanzien bij Arafat.

De Mossad heeft 5 maal geprobeerd om hem te liquideren. Een van die malen, in 1974, doodde het abusievelijk de onschuldige Marokkaans-Noorse kelner Ahmed Bouchiki, in wat bekend is geworden als de Lillehammer-affaire.

Uiteindelijk liquideerde de Mossad Abu Hassan op 22 januari 1979 in Beiroet, door een van afstand bediende autobom.

Volgens sommige bronnen, onderhield Salameh contact tussen de PLO en de CIA van 1970 tot zijn dood.[2]

Noot[bewerken]

  1. Christian DESTREMAU, Le Moyen-Orient pendant la Seconde Guerre mondiale, p. 149
  2. The Washington Post