Binsenastrild

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Binsenastrild
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Binsenastrilde.JPG
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Passeriformes (Zangvogels)
Familie: Estrildidae (Prachtvinken)
Geslacht: Neochmia
Soort
Neochmia ruficauda
(Gould, 1837)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De binsenastrild (Neochmia ruficauda) is een klein, door zijn afwijkend gekleurde kopje opvallend, vogeltje behorend tot de familie van de prachtvinken (Estrildidae). De herkomst is Noord- en Noordoost-Australië.

Uiterlijk[bewerken]

Voorhoofd, keel, wangen en snaveltje zijn vermiljoenrood met aan de zijkant van het kopje een aantal witte vlekjes. De borst is geel met witte stippen de buik is wat lichter. Bovenzijde en de flanken zijn geelgroen tot olijfgroen. Bovendien hebben de flanken ook kleine witte stippen. De staart is bij de bovenaanzet roodbruin, dekveren aan de onderzijde zijn donkerrood. Het vrouwtje heeft een blekere borst en het rood van het kopje is doffer. De totale lengte van de binsenastrild is van kopje tot staartpuntje 10 – 11 centimeter.

Verspreiding en status als rode lijstsoort[bewerken]

De binsenastrild is een endemische soort in Australië. Er zijn drie van elkaar gescheiden levende populaties die leven in het noorden van West-Australie, Noordelijk Territorium en Queensland. Deze populaties trekken zich in de broedtijd terug binnen een betrekkelijk klein gedeelte van het totale verspreidingsgebied. In de jaren 1990 is een aanzienlijke vermindering in aantallen vastgesteld vooral in het oosten van het verspreidingsgebied. In 1996 stond de soort nog als "kwetsbaar" op de lijst, maar omdat de aantallen nog vrij groot zijn en het gebied waarin ze voorkomen ook, is de status in 2004 verlaagd naar "gevoelig".[1]

Verzorging als volièrevogel[bewerken]

De vogeltjes moeten eerst goed geacclimatiseerd worden, maar kunnen dan gehouden worden in een goed beplante volière met een temperatuur van ten minste 18 °C. Verder zijn het levendige en verdraagzame vogeltjes.

Ze kunnen gevoederd worden met gemengde zaden, die ook aan andere vinken gegeven worden en groenvoer. Daarbij moet vers drinkwater, grit en maagkiezel altijd ter beschikking staan.

Bronnen, noten en/of referenties