Botho Strauß

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Botho Strauß (Naumburg an der Saale, 2 december 1944) is een Duits schrijver uit het postmodernisme.

Leven[bewerken]

Botho Strauß (soms, doch zelden, als Strauss geschreven) is een bijzonder ophefmakende, wijd en zijd bekende figuur in de Duitstalige literatuur sinds ongeveer 1970. Hij is de zoon van een voedingsdeskundige; in Keulen en München studeerde hij in de jaren zestig germanistiek. Hij was tussen 1967 en 1970 redacteur bij Theater heute, een tijdschrift over de hedendaagse toneelkunst. Daarna begon hij zelf theaterstukken te schrijven, en werd reeds vroeg opgemerkt: samen met Peter Stein werkte hij vanaf 1970 voor de Schaubühne am Halleschen Ufer, waar hij vijf jaar actief bleef. Sinds medio jaren 70 woont hij in Berlijn.

Aanvankelijk legde Strauß zich op toneelwerk toe: zijn techniek bestaat in een radicale versnippering van de actie, dat wil zeggen, zijn stukken hangen opzettelijk met haken en ogen aaneen. Hij vertelt geen afgelijnde verhalen met een begin, midden en einde, maar fixeert zich op de fragmentarische gebeurtenis, het kleinschalige en detaillistische. Om die reden is Strauß' verteltechniek wel eens als literair pointillisme getypeerd. De ondertoon is die van een zeker cultuurpessimisme: de vervlakking van de maatschappij door toedoen van massamedia leidt tot contactarmoede; mensen worden economische producten die in feite niet meer echt met elkaar communiceren, maar veeleer een soort reclameslogans spuien. De maatschappij verzinkt, in Strauß' visie, in uitgeholde platitudes.

In 1980 publiceerde Strauß zijn eerste roman, Rumor, waarin duidelijk werd dat hij eveneens een begaafd prozaïsch verteller is, zelfs al is de samenhang soms ver te zoeken. Sedert de jaren 80 is zijn stijl, benevens pessimistisch, tevens ironisch geworden: hij schijnt de hedendaagse samenleving zowel te bekritiseren als te bespotten. Wie immers weigert van de gemediatiseerde maatschappij deel uit te maken, pleegt zo goed als zelfmoord: de isolatie van de buitenstaander staat gelijk aan de moord van de samenleving op een dergelijk geïsoleerd individu.

Algemene bekendheid in de Duitstalige wereld verwierf hij in 1981 met zijn verhalenbundel Paare, Passanten, waarin hij alledaagse scènes uit het bestaan van doordeweekse mensen beschrijft, met speciale aandacht voor hoe ze zich uitdrukken en gedragen, en vanop een bepaalde afstand die ironiserend commentaar toelaat. Zijn daaropvolgend toneelstuk Kaldewey Farce vertoont de introductie van een mystiek element: het toneel wordt tot zijn oorspronkelijke, dithyrambische proporties herleid, en een irrationele Dionysus-cultus ontstaat op de scène. Der Park is een bewerking van A Midsummer Night's Dream van Shakespeare.

Mettertijd werd Strauß' taalgebruik steeds ondoorzichtiger; een zware hang naar esoterie, gecombineerd met zijn verlangen om de taal te hervormen, leidde hem naar een moeilijk te bevatten, extreem gesloten pleidooi voor een terugkeer naar de Romantiek enerzijds, en anderzijds een verwerping van de verderfelijke invloed die de gecommercialiseerde, mediatieke nonsenscultuur aan de mensen opdrong. Hierdoor heeft Strauß zich een hoofdzakelijk intellectueel publiek toegeëigend. In Die Zeit und das Zimmer probeert hij — met succes — zijn theorie te demonstreren dat men, vermits de cultuur zichzelf heeft uitgevlakt, terug moet keren naar het essentiële onvermogen de dingen te begrijpen; met andere woorden, vaagheid is geen gebrek, het is het doel van de literatuur als dusdanig.

In 1989 ontving hij de Georg-Büchner-Preis.

In 1993 werd Strauß een bijzonder controversieel figuur. In dat jaar schreef hij een — buitengewoon ingewikkeld — essay voor Der Spiegel, getiteld Anschwellender Bocksgesang, waarin hij opperde dat de stompzinnigheid van de media (die hij een „cloaca“ noemde), een onherroepelijke scheidingslijn tussen de massa en de intellectuele elite teweeggebracht had. Die elite was volgens hem verbrokkeld: mensen met werkelijk inzicht waren individuen die node hun eigen weg dienden te vervolgen, terwijl de overige mensen in de waan verkeerden dat ze goed geïnformeerd en daardoor wijs waren, maar in werkelijkheid hopeloos ten prooi waren gevallen aan de illusionaire realiteit die de media hun ten langen leste geïndoctrineerd hadden. Daarenboven sprak uit dit betoog een conservatieve reflex; Strauß werd dientengevolge als een nieuwe pleitbezorger voor een conservatieve revolutie beschouwd.

Uiteindelijk moet gezegd dat Botho Strauß, zoals wel meer postmodernisten, kritiek uit vanuit zijn eigen, persoonlijke wereldvisie en derhalve de klemtoon op de individuele waarneming legt, zonder dat die noodzakelijk door een gemeenschap gedragen wordt. Een dergelijke attitude uit zich bij hem in een versplintering van de verhaallijn, in die mate dat de overkoepelende diëgetische constructie als iets minder belangrijks behandeld wordt. Ofschoon Botho Strauß' werk een zekere inspanning van de lezer of toeschouwer vergt, behoren zijn stukken in Duitsland tot de vaakst gespeelde en wordt over zijn œuvre druk gedebatteerd.

Werken[bewerken]

  • 1971 Die Hypochonder (toneel)
  • 1974 Bekannte Gesichter, gemischte Gefühle (toneel)
  • 1975 Marlenes Schwester (verhalen)
  • 1976 Trilogie des Wiedersehens (toneel)
  • 1977 Die Widmung (verhalen)
  • 1978 Groß und klein. Szenen (toneel)
  • 1980 Rumor (roman)
  • 1981 Paare, Passanten (verhalen)
  • 1981 Kaldewey Farce (toneel)
  • 1983 Der Park (toneel)
  • 1984 Der junge Mann (roman)
  • 1985 Die Erinnerung an einen, der nur einen Tag zu Gast war (gedicht)
  • 1986 Die Fremdenführerin (toneel)
  • 1987 Niemand anderes (verhalen)
  • 1989 Die Zeit und das Zimmer (toneel)
  • 1991 Schlußchor (toneel)
  • 1992 Beginnlosigkeit (essay)
  • 1993 Anschwellender Bocksgesang (essay)
Bronnen, noten en/of referenties
  • Gerhard Fricke & Mathias Schreiber (1988), Geschichte der deutschen Literatur. Paderborn: Ferdinand Schöningh.
  • Bengt Algot Sørensen (1997), Geschichte der deutschen Literatur. Band II. Vom 19. Jahrhundert bis zur Gegenwart. München: C.H. Beck. [= Beck'sche Reihe 1217]
  • Wolf Wucherpfennig (1986), Geschichte der deutschen Literatur. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. Stuttgart: Ernst Klett.