Christian Ernst Graf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Christian Ernst Graf of Graaf (Rudolstadt, 30 juni 1723 - 's-Gravenhage, 17 juli 1804) was een van oorsprong Duitse kapelmeester en componist, later werkzaam aan het stadhouderlijke hof in ’s-Gravenhage in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

1723-1753: Jeugd – Opleiding - Rudolstadt[bewerken]

Kleine Gedigten voor Kinderen van Mr. H. van Alphen, in Muziek gezett, door C.E. Graaf, s.d., uitgegeven bij Markordt in Amsterdam

Graf groeide op in een muzikaal gezin. Vader Johann Graf (1684-1750) was violist, muziekleraar, componist en dirigent. In 1722 werd hij concertmeester aan het prinselijke hof van Schwarzburg-Rudolstadt en in 1739 volgde zijn bevordering tot kapelmeester. Johann Graf had zeven zonen die hij zelf muziekles gaf. Vier traden in zijn voetspoor en werden musicus. In 1745 volgde Christian zijn vader op als hofkapelmeester in Rudolstadt.[1]

Over de jaren van Christian Ernst Graf in Rudolstadt vóór zijn vertrek naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, is weinig geweten. Graf verliet zijn geboortestad naar verluidt met instrumenten van het hof en met schulden. Mogelijk was hij samen met zijn broer Friedrich Hartmann, die vier jaar jonger was, in dienst getreden bij een regiment dat half april 1748 in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aankwam. Van Friedrich Hartmann is bekend dat hij bij het beleg van Bergen op Zoom gewond raakte en krijgsgevangen werd genomen. [2]

Christian Ernst bevond zich in 1750 te Middelburg, waar hij het Collegium Musicum ging leiden. Onder Grafs leiding steeg het niveau van het Collegium Musicum dusdanig dat het in 1754 de beschikking kreeg over een concertzaal die bekostigd werd door de stad. Vermoedelijk ontstond het eerste gedrukte opus van Christian Ernst, de Sei Sinfonie a Violino Primo, Secondo, Viola, E Basso, aan het einde van zijn verblijf in Middelburg en was het bedoeld als afscheidsgroet. [2]

1754-1767: Het hof in 's-Gravenhage[bewerken]

Vermoedelijk in de tweede helft van 1754 trok Graf naar Den Haag. Daar werd hij hofcomponist van prinses Anna van Hannover, dan weduwe van stadhouder Willem. Dat blijkt uit de titelpagina van zijn in 1758 verschenen sonates voor twee violen en basso continuo (het opus 2), waarop hij Compositore de Musica di S.A.R. Madama la Principessa di Orania di Nassovia ofwel 'componist van Hare Koninklijke Hoogheid de prinses van Oranje Nassau,' dat wil zeggen Anna van Hannover, wordt genoemd. In 1759 kwam Christian Ernst in de 's Gravenhaegse Courant voor als Muziek Compositeur aen het Hof van S.D.H. den Heere Prince van Oranje, dat wil zeggen van de dan elfjarige Willem. Na Anna's dood in 1759 wordt zijn titel Compositore di Musica al Corte di S.A.S. Monsignore il Principe d'Orania e di Nassovia ('componist van muziek aan het hof van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins van Oranje en Nassau'; cf. Sei Sinfonie ... Opera terza uit dat jaar), welke omschrijving blijft tot en met zijn opus 7 van 1766 (cf. Six symphonies ... Oeuvre VII) [3]. Van 1759 af verschijnt zijn naam ook jaarlijks op de rekeningen van de hofkapel. [4] Mogelijk was Graf de eerste muziekleraar van de jonge prins Willem. Tijdens de rouwplechtigheden na het overlijden van Anna van Hannover op 12 januari 1759 vervulde hij een belangrijke muzikale rol.[5] In 1764 paste Graf zijn naam aan de Nederlandse spelling aan. Ook Leopold Mozart merkt, tijdens het verblijf van de familie Mozart in 's-Gravenhage (september-december 1765) Mr: Graaff aan als Compositeur et directeur de la Musique du Prince. Een meer precieze datering van de aanstelling in die functie is bij gebrek aan overgeleverde documenten echter niet mogelijk. [4]

Wel weten we dat hij zich in 1764 om salarisverhoging te krijgen rijmend en waarschijnlijk zonder dat er gehoor aan werd gegeven, tot zijn broodheer richtte, hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Lüneburg-Bevern, regent van de toen nog minderjarige toekomstige stadhouder prins Willem V:

Smeekbede van Christian Ernst Graf Nederlandse vertaling[6]
Durchlauchtigsten,
Vergieb mein draustes Unterwinden.
Lass meiner Demuts-Schrift ein milder Auge finden.
Wirf einen Gnaden-Blick auf dies mein Klage-Lied,
Und siehe, wie dein Knecht am Kummer-Wagen zieht.
Mich liesse ein Fürstlich Wort hieher aus Inland kommen;
Mein Glück ist hier nicht mehr, dort ist mein Whol entnommen.
Was da mein fleiss gewann, wird hier aus Not verzehrt;
Der Leib mit magren Kost, der Geist mit Angst genärht.
[…] Zweijhundert fünfzig Gulden
Die nimmt mein Haus Herr weg; wo bleiben Kost und Schulden?
Ach. Lege jährlich doch nur noch ein weinig beij.
Dass mein verfallner Stand nicht unerträglich seij.
Doorluchtige vorst,
Vergeef mijn drieste onderneming.
Laat mijn deemoedige geschrift een mild oog vinden.
Werp een genadige blik op dit klaaglied,
En zie hoe uw knecht de armoewagen trekt.’
Het woord van een vorst liet mij hier komen uit het binnenland;
Mijn geluk is niet meer hier; maar dáár is mij mijn welstand afgenomen.
Wat ik daar door vlijt heb gewonnen, wordt hier uit nood verteerd;
Het lichaam wordt met magere kost gevoed, de geest met angst.
[…] Tweehonderdvijftig gulden
Is voor de huisbaas; waar moeten kost en schulden vandaan komen?
Ach! Leg er toch jaarlijks een klein beetje bij
Zodat mijn vervallen stand niet ondraaglijk is.

Ter gelegenheid van de installatie van Willem V - op 8 maart 1766 achttien jaar - als stadhouder, componeerde Graf het jubellied in drie coupletten Laat ons juichen, Batavieren!. Was het gepubliceerde lied in het Nederlands, bij de installatie van de stadhouder werd het in het Italiaans gezongen. [7] De jonge Wolfgang Gottlieb Mozart, van wie Graf onder andere een concert dirigeerde dat Wolfgang en diens zuster in Den Haag op 30 september 1765 gaven[8], gebruikte het als thema voor de bekende reeks variaties (KV 24) voor klavecimbel. [9] Dezelfde melodie werd door Mozart ook gebruikt in de slotfuga van het quodlibet Galimathias musicum (KV 32, maart 1766), nog steeds naar aanleiding van zijn verblijf in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.[10]

1767-1804: Hofkapelmeester en einde loopbaan[bewerken]

In 1767 verkreeg Graf uiteindelijk de officiële aanstelling als hofkapelmeester en ontving nu de eerder gevraagde salarisverhoging. Grafs taak als hofkapelmeester behelsde niet alleen de samenstelling van het repertoire van het hoforkest, maar ook het componeren van nieuwe stukken en het selecteren van de libretti en teksten die voor verschillende gelegenheden moesten worden getoonzet. In zijn jaren aan het hof ontstonden talrijke composities: een groot aantal symfonieën, onder andere de programmatische Grande simphonie Hollandaise en deux choeurs, ter gelegenheid van het eerherstel van Willem V in 1787, (viool- en trio)sonates, (strijk)kwartetten, kwintetten voor fluit en strijkkwartet en andere vormen van kamermuziek, twee vierhandige klaviersonaten, liederen, cantates, fabels voor stem en klavier ("25 Fable dans le gout de la Fontaine, pour le Chant et le Clavecin") en ten slotte een theoretisch en een didactisch werk over de basso continuo. Aan een opera schijnt hij zich nooit te hebben gewaagd. Graf regelde wel de aanschaf van bladmuziek voor huis en hof; een belangrijk deel van de huidige muziekcollectie van de Oranjes is aan hem te danken. [4]

De naarstigheid uit de Kleine Gedigten voor Kinderen van Mr. H. van Alphen, in Muziek gezett, door C.E. Graaf, s.d., uitgegeven bij Markordt in Amsterdam

Ook buiten de hofkapel bleef de componist al die tijd werkzaam. Naar aanleiding van de ingebruikneming van een nieuw orgel op 28 juni 1781 componeerde hij bijvoorbeeld de Kerk-Gezangen ter Inwydinge van het Orgel in de Groote Kerk te Bolsward. [11] En in 1782 gaf hij een studie uit: de "Proeve over de natuur der harmonie in de Generaal bas benevens een onderricht eener korte en regelmaatige becijffering’".[12] Voorts bewerkte Graf, zoals ook Christian Friedrich Ruppe, de Kleine gedigten voor kinderen van Hiëronymus van Alphen, waaronder het beroemde De pruimeboom (of Jantje zag eens pruimen hangen…). [13]

Vanaf 1788 echter, werd Graf als kapelmeester vervangen door de violist Jean Malherbe. Die volgde hem in 1790 ook op toen Graf in november van dat jaar met pensioen was gegaan. [14]

Naast een ondertussen verloren gegaan oratorium - gecomponeerd naar aanleiding van de vrede tussen Frankrijk en Engeland, dat zijn grootste succes zou zijn geweest [15] - componeerde Graf in 1802 ook de passiecantate Der Tod Jesu op tekst van Karl Wilhelm Richter (1725–1798).

Graf stierf niet lang daarna, op 17 juli 1804 in ’s-Gravenhage, waar hij ook in de Grote Kerk begraven ligt.

Waardering[bewerken]

Overgeleverd is de volgende karakterschets door een tijdgenoot: ”Graaf of Graf was een beoeffenaar van kunsten en weetenschappen, een geletterd man, was gezellig in zyn omgang, en in de kring zyner vrienden zelfs spraakzaam en vrolyk, bezat eene byzondere geschiktheid om te onderwyzen, vooral aan Jongelieden, die hy hun smaak voor de kunsten en weetenschappen wist in te boezemen.” [16]

Er is een vrij groot aantal werken bewaard gebleven. Naar de inschatting van musicoloog Balfoort is de cantate Der Tod Jesu, waarvan de Koninklijke Bibliotheek in ‘s-Gravenhage het handschrift bezit, een van zijn beste werken. Maar Balfoort laat zich laatdunkend uit over al het overige: ”Om hun hoog muzikaal gehalte mogen wij anders zijn symphonieën, sonates voor clavecymbel en viool, strijkduetten enz. niet prijzen. Zij hebben voor ons voornamelijk nog slechts historische waarde. Zijn gelegenheidscompositie op de installatie van Prins Willem V [...] is uitsluitend van historisch belang. Van zijn theoretischen arbeid kennen wij een in 1782 te Den Haag uitgegeven ‘Proeve over de natuur der harmonie in de Generaal bas benevens een onderricht eener korte en regelmatige becijffering’, een werkje van weinig beteekenis". [17]

Op de weblocatie van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis vellen Ton Braas en Odilia Vermeulen een genuanceerder oordeel in hun toelichting op de heruitgave van Der Tod Jesu in de reeks Schatten van de Nederlandse koormuziek: ”Ofschoon geen pionier, maakte Graf wel een evidente ontwikkeling door in zijn tientallen symfonieën, concerten, kwintetten, kwartetten, trio's, duo's en werken voor één instrument. Terwijl zijn opus 1 nog overeenkomsten vertoont met late composities uit de barok, zit hij stilistisch vervolgens dichter bij de "Mannheimers" en de jongere zonen van Johann Sebastian Bach. Der Tod Jesu (1802), Grafs laatste en meest gerijpte werk dat hij op 79-jarige leeftijd schreef, past qua stijl meer bij de oratoria van Joseph Haydn. Wat instrumentatie en vorm betreft, heeft Graaf zich aan de conventies van zijn tijd gehouden. In harmonisch opzicht zijn de meeste composities ongecompliceerd van opzet. Maar melodisch en ritmisch is hij soms tot verrassende vondsten gekomen”. [18]

Discografie[bewerken]

  • Baroque in Holland, Ton Koopman, Wilbert Hazelzet, Leo-Hans Koomeef, Cappella Breda, Daan Manneke, Pieter van Houwelingen, Henk Dekker, Naomi Hirschfeld, Pieter-Jan Belder, Monica Huggett, Il Quadrifoglio, Brisk Recorder Quartet, Ensemble Pont de la Virtue, Erasmus Music Productions, WVH
  • Kalm, kalm en andere Nederlandse liedjes, Jasperina de Jong & Lieuwe Visser, NM Classics NM 92071
  • Four Hundred Years Of Dutch Music-Volume 2, Residentie Orkest o.l.v. Antal Dorati, Ernest Bour, Nikolaus Harnoncourt, Ton Koopman, 1996,
  • Hef Aan, Bataaf! Nederlandse Muziek rond 1795, Ensemble Pont de la Virtue, dubbel cd, Erasmus Music Productions, WVH 187/188, 1997
  • A musical anthology of the Northern Netherlands, verschillende uitvoerders, NM Special NM 93004
  • Een Muzikale Anthologie der Noordelijke Nederlanden 1600-2000, verschillende uitvoerders, NM Special NM 903002
  • From the Music Collection of Anders Chydenius, Mikail Helasvuo, Ostrobothnian Chamber Orchestra o.l.v. Juha Kangas, Alba, 2004
  • Crowning Glory - Zappa Symphonies, o.a. Christian Ernst Graaf: Symphony in D Op. 14 No. 1, Simon Murphy: New Dutch Academy, Caroline Kang Cello, 2009, PentaTone Classics PTC 5186 365

Externe link[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. [1] Volgens de Duitse Wikipedia, versie van 22:29, 23. Jun. 2007
  2. a b [2] Ton Braas & Odilia Vermeulen op de weblocatie van de KVNM in een toelichtend artikel over Der Tod Jesu (1802) van Christian Ernst Graaf
  3. [3] Geciteerd op de online cursus van prof. Rudolf Rasch, in Een muzikale republiek, Geschiedenis van de muziek in de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1572-1795, Hoofdstuk Zes, Het stadhouderlijk hof, 6.3 Het stadhouderlijk hof 1747-1766
  4. a b c [4] Ton Braas & Odilia Vermeulen op de website van de KVNM in een toelichtend artikel over Der Tod Jesu (1802) van Christian Ernst Graaf
  5. [5] Geciteerd naar Gert Oost, Den Haag, 1764, Christian Ernst Graf vraagt in een lange brief op rijm verhoging van zijn tractement als hofcomponist in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, samengesteld door Louis Peter Grijp, Ignace Bossuyt, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 9053564888, 9789053564882, blz. 345
  6. [6] Geciteerd naar Gert Oost, Den Haag, 1764, Christian Ernst Graf vraagt in een lange brief op rijm verhoging van zijn tractement als hofcomponist in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, samengesteld door Louis Peter Grijp, Ignace Bossuyt, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 9053564888, 9789053564882, blz. 342-343
  7. Additionele informatie op de cd-rom van Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, samengesteld door Louis Peter Grijp, Ignace Bossuyt, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 9053564888, 9789053564882, blz. 349
  8. [7] Biografie van Christian Ernst Graf op de weblocatie Donemus.nl
  9. [8] Paul van Reijen, Den Haag, 30 september 1765, Het wonderkind Wolfgang Amadeus Mozart geeft zijn eerste openbare concert in de Republiek, De Mozarts als reizende virtuozen in de Nederlanden in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, samengesteld door Louis Peter Grijp, Ignace Bossuyt, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 9053564888, 9789053564882, blz. 349
  10. [9] Otto Erich Deutsch, Mozart, a Documentary Biography: A Documentary Biography, Stanford University Press, 1966, ISBN 0804702330, 9780804702331, blz. 53
  11. [10] Richard G. King , C. E. Graf's Music for the Consecration of the Martinikerk Organ at Bolsward, 1781, in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, D. 44ste, Afl. 2de, 1994, blz. 115-131
  12. [11] opnieuw uitgegeven als facsimile: Amsterdam 1970, 46 blz. tekst en 11 fold. tables
  13. Zie hiervoor de website van de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag over Hieronymus van Alphen, met aanvullend illustratiemateriaal; een artikel over dit onderwerp: Frits Noske, Het Nederlandse Kinderlied in de achttiende eeuw in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, D. 19de, Afl. 3de/4de, 1962-1963, blz. 173-185
  14. [12] Gert Oost, Den Haag, 1764, Christian Ernst Graf vraagt in een lange brief op rijm verhoging van zijn tractement als hofcomponist in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, samengesteld door Louis Peter Grijp, Ignace Bossuyt, Amsterdam University Press, 2001, ISBN 9053564888, 9789053564882, blz. 346
  15. [13] Richard G. King , C. E. Graf's Music for the Consecration of the Martinikerk Organ at Bolsward, 1781, Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, D. 44ste, Afl. 2de, 1994, blz. 115
  16. [14] Geciteerd naar Ton Braas & Odilia Vermeulen op de weblocatie van de KVNM, bij de toelichting van de uitgave van Der Tod Jesu (1802) van Christian Ernst Graf
  17. [15] D.J. Balfoort, Het muziekleven in Nederland in de 17de en 18de eeuw, P.N. van Kampen & Zoon, Amsterdam 1938
  18. [16] Ton Braas & Odilia Vermeulen op de weblocatie van de KVNM over Der Tod Jesu (1802) van Christian Ernst Graf