Concerto

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de gelijknamige compositie van Gotkovsky, zie Concerto (Gotkovsky)
Nuvola single chevron right.svg Voor de gelijknamige compositie van Rihm, zie Concerto (Rihm)

Een concerto of concert is een vorm van compositie waarbij verschillende groepen met elkaar dialogeren of wedijveren.

Terminologie en etymologie[bewerken]

De term komt uit het Italiaans en is afgeleid van het Latijn: concertare, "wedijveren, strijden, zich meten, disputeren" of mogelijk van conserere, "bijeenvoegen". Het meervoud van concerto is concerti of concerto's.

Concert en concerto kunnen beide gebruikt worden in de betekenis van "muziekstuk". Wanneer het gaat om een muziekuitvoering, is alleen concert goed.

In Vlaanderen is de term concerto gangbaar voor elk muziekstuk in de genoemde vorm, net zoals in het Frans, het Italiaans en het Engels.

In Nederland maakt men onderscheid tussen concerto, waarmee men vooral de vroege oorspronkelijke Italiaanse vorm bedoelt, en de latere klassieke en romantische vorm, die men concert noemt, net zoals onder andere in het Duits. In de Duitse musicologische literatuur maakt men eveneens een onderscheid tussen Concerto voor de oude Italiaanse vorm en het latere Konzert, meestal Instrumentalkonzert of Solokonzert genoemd.

Bij de Koningin Elisabethwedstrijd staat naast een recital ook altijd een piano- of vioolconcerto op het programma.

Geschiedenis en ontwikkeling[bewerken]

De benaming concerto werd voor het eerst gebruikt in 1602 bij de Concerti Ecclesiastici van Lodovico Grossi da Viadana, motetten voor stemmen en orgel. Deze techniek groeide langzamerhand uit tot de concerti de chiesa. Het vormschema was dat van de sonata da chiesa en van Italiaanse ouverture. Als schepper van het instrumentaal concerto da camera dient Giuseppe Torelli te worden genoemd. De door hem gebruikte bezetting (twee violen en bas) werd later door Arcangelo Corelli, Francesco Geminiani, Antonio Vivaldi e.a. ontwikkeld en bereikte zijn hoogtepunt bij Johann Sebastian Bach en Georg Friedrich Händel.

In de eerste plaats verschafte het concerto aan de solist de mogelijkheid zijn talent te etaleren. Bekend zijn bijvoorbeeld de bravoureconcerto's van Paganini. Later werd het dan ook soloconcerto genoemd.

Er zijn diverse soorten concerto's:

Kenmerken[bewerken]

Het voornaamste kenmerk van een concerto is dat de solistische partijen een belangrijke en contrasterende functie hebben. Het bestaat meestal uit drie delen die door korte pauzes van elkaar gescheiden zijn. Het eerste deel is vaak een diepgaand en snel deel en opgebouwd volgens de sonatevorm. Daarna volgt dan een langzaam deel en ten slotte een snel deel, dat minder diepgaand en vrolijker is en ook bedoeld is om de solist de gelegenheid te geven zijn virtuositeit te tonen.

Vlak voor het einde van het eerste deel zit meestal een cadens. Dat is een vrijer gedeelte waarbij het orkest stil is en de solist een virtuose improvisatie kan laten horen. De cadens werd voor het eerst door Händel gebruikt en werd in negentiende eeuw belangrijker, gezien de drang naar virtuositeit.

Ook het moderne concert(o) blijft gebouwd op de principes van het oudere genre en houdt vast aan de dialoog tussen een solo-instrument en het orkestensemble; van de sonatevorm wordt echter vaker afgeweken. Het solo-instrument is meestal de piano of de viool, maar in principe komen alle orkestinstrumenten in aanmerking, bv. cello, dwarsfluit, harp, hobo, hoorn, klarinet en natuurlijk de menselijke stem. Zelfs minder traditionele instrumenten hebben inmiddels hun plaats veroverd, zoals de klassieke gitaar in Concierto de Aranjuez of zelfs de mondharmonica in Concerto for Harmonica (1995) van Toots Thielemans. Het spreekt vanzelf dat hierbij alle kans wordt gegeven aan een ver doorgedreven virtuositeit. Het solistenthema wordt hierbij gewoonlijk aangekondigd door een tutti van het orkest, de sologedeelten worden door het orkest slechts onderstreept. Dit laatste krijgt dan nog slechts een begeleidende rol toegewezen.

Wat de algemene vormgeving betreft, vertoont het eerste gedeelte van de compositie gewoonlijk alle kentekenen van de sonatevorm (exposite, doorwerking en herhaling). Het tweede gedeelte, in meer lyrische stijl gehouden, is langzaam, terwijl de finale dikwijls in rondovorm (A – B – A – C – A – B’ – A) is gecomponeerd.

Bekende concerto's[bewerken]

Tot de voornaamste klassieke werken in het genre behoren de concerto's van Wolfgang Amadeus Mozart, Ludwig van Beethoven en Joseph Haydn. Voor de romantische periode dienen onder andere te worden vernoemd Felix Mendelssohn-Bartholdy, Robert Schumann, Frederik Chopin en de laat–romanticus Johannes Brahms. Verder kunnen onder anderen Edvard Grieg, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, Camille Saint-Saëns, Sergej Rachmaninov en Antonín Dvořák worden vermeld. Ten slotte zijn er ook moderne concertocompositie, met namen als Aaron Copland, George Gershwin, Sergej Prokofjev, Igor Strawinski, Maurice Ravel, Paul Hindemith en Béla Bartók.

Zie ook[bewerken]