Concerto grosso

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een concerto grosso (Italiaans voor "groot orkest"; meervoud concerti grossi) is een compositie voor een orkest, stammend uit de 17e en 18e eeuw, waarin gewoonlijk een groep van solo-instrumenten een prominent aandeel heeft. De solistengroep werd concertino genoemd en de rest van het orkest tutti of tutto (of allen), de ripieno. Een concerto grosso is overigens zowel de aanduiding van een ensemblegrootte als musiceer- en componeervorm die zijn ontstaan vond in de barokmuziek. De naam 'concerto grosso' ging geleidelijk ook over op de compositievorm voor deze 'concerterende' (in het Italiaans: 'in stile concertato') ensembles.

Verder zijn met name de concerti grossi van Arcangelo Corelli en Georg Friedrich Händel klassieke voorbeelden van deze muziekvorm. Maar ook Alfred Schnittke schreef concerti grossi in de 20e eeuw.

Achtergronden[bewerken]

Om het ontstaan van het latere solo-concert en het concerto grosso als compositievorm te begrijpen dient men te weten dat de term 'concerto' (naast de gebruikte betekenis van 'concertare', wedijveren) ook een andere achtergrond kan hebben, namelijk de afstamming van het Latijnse 'consérere', ofwel 'samenvoegen'. In een concerto als compositievorm werd dan ook getracht een vorm te scheppen waarin een of meer instrumentalisten of zangstemmen tegengesteld zijn aan de overige instrumentale groepen (het orkest), maar daarbinnen toch konden worden samengevoegd.

De geschiedenis van het concerto ligt in Italië waar het uit de vocale praktijk (bijvoorbeeld de dubbelkorige muziek), werd overgenomen. In de eerste vormen van concerto stonden dan ook vaak aanvankelijk gelijkwaardige groepen tegenover elkaar. Zo ziet men bij Gabriëli in diens Sonate "Pian e forte" voor blazers (uit 1597) dit contrastmiddel effectief ingezet. Nadien ontwikkelde zich deze vorm tot het concerto grosso, enerzijds door verkleining van één van de twee groepen, anderzijds doordat de betere spelers zich vaak in een van de groepen verzamelden, zodat er twee ongelijkwaardige groepen ontstonden: het 'concertino' tegenover het 'ripieno' (het overige orkest). Tezamen vormde dit dan een 'tutto' (een geheel orkest).

Het 'concerto grosso' (de grote groep) stond daarbij (vaak letterlijk) tegenover het 'concertino' (de kleine groep). Dit concertino omvatte doorgaans enkel de solisten aangevuld met een kleine instrumentale bezetting (een 'continuo'). In composities die voor 'concerto grosso' werden geschreven vindt men dan ook vaak afwisseling tussen de gehele spelende bezetting van een relatief grote groep instrumentalisten, en de meer solerende passages van het 'concertino'. Door deze vorm kon naast contrast in grootte ook dynamisch contrast ontstaan.

De compositievorm 'concerto grosso' (die afgeleid is van deze ensemblevorm) bestaat uit meestal uit 4 delen, vaak voor strijkers (bij Corelli bijvoorbeeld). Uit dit concerto grosso ontwikkelde zich het latere symfonische concert (zoals sinds Mozart, waar de kleine groep niet meer zozeer tegenover het grote geheel staat maar er in opgenomen wordt) en het soloconcert (bij bijvoorbeeld Vivaldi, Marcello, Torelli, Bach en Händel), dat doorgaans uit 3 delen bestaat: een snel, langzaam en snel deel. Deze vorm groeide op zijn beurt weer uit tot de virtuoze concerten voor een solo-instrument met orkestbegeleiding, waarbij de nadruk steeds meer kwam te liggen op de technische en artistieke vaardigheid van de solist en waarin het orkest een steeds dienender rol kreeg. De driedelige vorm zette ook door in de klassieke sonatevorm: een snel in hoofdvorm geschreven eerste deel, een langzaam cantabile deel, en een snelle finale.

Componisten van concerti grossi tussen 1700 en 1760[bewerken]

Componisten van concerto grossi uit de 20e eeuw[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties