Dodenmars (Holocaust)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Duitse inwoners werden gedwongen om langs Joden te lopen die omkwamen tijdens een dodenmars.
Gedenksteen dodenmars Blievenstorf

Tijdens de Tweede Wereldoorlog dwong nazi-Duitsland diverse keren gevangenen van concentratiekampen, veelal Joden, tot een dodenmars. Dodenmarsen vonden plaats tussen herfst 1944 en april 1945. De nazi's wilden de sporen van de concentratiekampen uitwissen, waardoor zij besloten om de nog levende gevangenen uit de kampen te halen. Tijdens de dodenmarsen kwamen ongeveer een kwart miljoen mensen om het leven.[1] In Nederlands-Indië werden dodenmarsen door de Japanners georganiseerd, zoals de dodenmarsen van Sandakan, op Borneo.

Algemeen[bewerken]

Eind 1944 werd nazi-Duitsland steeds verder ingesloten door de geallieerden. Vanuit het oosten rukte de Sovjet-Unie sterk op en in het westen onder meer de Amerikanen, Britten en Canadezen. Hierdoor kwamen de geallieerden steeds dichter bij de concentratiekampen. De Schutzstaffel (SS) wilden de sporen naar deze kampen en de Holocaust laten verdwijnen.[2] Om de gevangenen uit deze kampen weg te krijgen, bedacht de SS de dodenmarsen. Voordat de verschillende dodenmarsen begonnen, werden al duizenden gevangenen doodgeschoten, vergast, kregen een dodelijke injectie toegediend of kwamen om van de honger.

In de beginperiode werden de gevangenen verplaatst naar andere kampen binnen nazi-Duitsland. Ze moesten hiervoor vaak al tientallen kilometers lopen naar een treinstation, waarna ze dagenlang zonder drinken en voedsel werden getransporteerd in veewagons of open kolenwagons. De gevangenen waren meestal al verzwakt door de ondervoeding en harde arbeid in de kampen. Bovendien was het winter. Bij aankomst moest soms nog een stuk worden gelopen naar een kamp. Zieke of uitgeputte gevangenen bezweken vaak tijdens de mars en werden veelal geëxecuteerd. Dit geschiedde meestal door middel van een dodelijk schot, maar sommige gevangenen werden door de bewakers doodgeslagen. Wanneer men een dorp of stad passeerde reageerde in sommige gevallen de bevolking de frustraties over de oorlogsnederlaag af op de voorbijlopende gevangenen. Later in de oorlog werden dodenmarsen georganiseerd naar de Oostzee, waar de gevangenen de zee in gedreven werden en vervolgens werden doodgeschoten.

In centraal-Duitsland gelegen kampen, zoals Bergen-Belsen, werden hierdoor steeds voller. Dit had tot gevolg dat de hygiëne en voedselsituatie, die toch al te wensen over lieten, in rap tempo verslechterden. Dezelfde hoeveelheid ruimte, bedden, sanitair en voedsel moest ineens gedeeld worden door dertig keer zoveel gevangenen. Ziekten, zoals tyfus, braken uit, en in de eerste maanden van 1945 schoot het sterftecijfer in deze kampen omhoog.

Er namen 700.000 tot 800.000 personen deel aan de dodenmarsen, waarvan het merendeel Joods was.[1] Tijdens de marsen stierven ongeveer 250.000 personen door uitputting of bevriezing of doordat ze werden doodgeschoten door de SS'ers.[1]

Sommige dodenmarsen bereikten niet hun einddoel, omdat zij onderweg bij geallieerde troepen in de buurt kwamen. Hun bewakers vluchtten hierop weg, waardoor de gevangenen hun vrijheid tegemoet liepen. Eén van de overlevenden van de dodenmarsen is Elie Wiesel, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede in 1986.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Saul Friedländer, Nazi-Duitsland en de Joden, Nieuw Amsterdam, 2009, pag. 343
  2. Verzet.org Blok 10 in Auschwitz: het labo van Dr. Clauberg en Dr. Schumann, 2007.