Dogon (volk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dogon
Dogon in Mali
Dogon in Mali
Totale bevolking 400.000 tot 800.000
Verspreiding Mali
Burkina Faso
Taal Dogontalen
Geloof Animisme
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Dogon zijn een bevolkingsgroep die wonen op de helling van de Klif van Bandiagara in Mali, een land in West-Afrika. Ze zijn bekend om hun kleurrijke, gemaskerde dansen en ceremonies, een authentieke architectuur en een zeer buitengewone cultureel gebonden manier van samenleven.

In tegenstelling tot andere Afrikaanse volkeren hebben de Dogon hun eeuwenoude cultuur en tradities behouden, maar tevens elementen van een moderne wereld in hun leven toegelaten. De Dogon leven in een opmerkelijke omgeving. Hun huizen bouwden ze op de steile hellingen van de 150 kilometer Bandiagara-klif, die als een muur van zuidwest naar noordoost door het land loopt, de grens van een groot zandsteenplateau dat zich uitstrekt naar het Noordwesten.

De kliffen hebben de Dogon gedurende honderden jaren beschermd tegen vijandige groepen. Op de zandvlakte beneden aan de klif verbouwen de Dogon, die zeer vaardig zijn in landbouw, gierst, sorgo, sesam, ui en andere gewassen. Het duinengebied dat grenst aan de klif is begroeid met grassen en struikgewas, en vormt voor de Dogon de bush,open ter ontginning, maar ook in principe een wildernis waar enige dreiging vanuit gaat.

Geschiedenis van het Dogon-gebied[bewerken]

De Dogon arriveerden in de Bandiagare-klif omstreeks de vijftiende eeuw. Ze troffen daar de toenmalige inwoners, de Tellem, die vermoedelijk zijn weggetrokken. Wel hebben de Dogon verschillende elementen van hun cultuur overgenomen, waaronder het maken van beelden. De animistische Dogon traceren hun oorsprong terug naar het rijk van Mande aan de bovenloop van de Niger en hun migratie wordt wel in verband gebracht met het uiteenvallen van dit rijk, gesticht door de legendarische vorst Sunjata Keita. De klif was makkelijk verdedigbaar voor slavenjagers en de dorpen, die tegen de hellingen van de klif lagen, waren alleen via smalle paden bereikbaar. Hun doden konden veilig begraven worden in zandsteengrotten in de wand van de de klif, en daar konden ze ook voorraden opslaan.

De Dogon hebben vele moeilijke tijden gekend door heersende droogten. De zestiende en de achttiende eeuw kenden ten minste drie droge perioden. In de negentiende eeuw viel de regen daarentegen meestal overvloedig. De Dogon voeren nog steeds veel rituelen uit die geassocieerd worden met droogte. Deze rituelen zijn hoogstwaarschijnlijk ontstaan in de perioden waarin ze te kampen hadden met droogte. Water was ook in droge tijden meestal nog wel te vinden aan de voet van de klif, of iets verderop in de duinen. Voor de Dogon, die van de landbouw leefden, was dit water van levensbelang.

De veiligheidssituatie veranderde voor de autochtone bevolking drastisch na het begin van de kolonisatie. De Fransen, die na 1890 in Mali arriveerden, maakten een einde aan de slavenhandel en de oorlogen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Deze vrede betekende dat meer gebieden in de buurt van de klif konden worden gebruikt als landbouw- en vestigingsgrond. De bevolking maakte hierdoor een flinke groei door.

Dorpen[bewerken]

Het dorp vormt de belangrijkste sociale eenheid van de Dogon, zowel dorpen onder aan de klif, dorpen op het plateau en dorpen in de vlakte naar het Zuidoosten toe. Van het eerste type is Sanga een voorbeeld, de hoofdplaats van het canton, van het laatste type is Koporo Kenyé. Het dorp Tireli is een voorbeeld van een klif-dorp, een groot dorp dat bestaat uit twee helften: ‘Teri Ku (‘hoofd van Tireli’) in het zuidwesten en ‘Sodanga’ in het noordoosten, beiden ongeveer even groot. Elk van die helften bestaat uit drie wijken, waaronder één grote en twee kleine, en elke wijk is weer opgebouwd uit een paar clans. Een clan bestaat dan weer uit een paar subclans of lineages; zowel clan als lineage heten in het Dogon ‘gina’ (‘groot huis’), alles patrilineair. Het is een complex systeem, gebaseerd op afstamming waarbij de verwantschap tussen de mensen goed bekend is, en waarbij lineage-genoten dicht bij elkaar wonen. Alle bewoners van één heel dorp zijn in principe verwant - zij het niet meer traceerbaar - en delen dezelfde achternaam. In Tireli is dat 'Say', in Sanga 'Dolo'.

Het falaise-dorp Banani

In Tireli, maar ook in andere dorpen, worden de clans gekenmerkt door prachtige gebouwen. Elke eenheid heeft zo ook zijn eigen ‘tei’ (‘dansplein’). Dit is een kleine, vlakke plek in het dorp waar de publieke dansen en festivals plaatsvinden. Een hoop stenen in het midden van dit plein markeert het rituele centrum en staat symbool voor een heilige plaats die niemand mag betreden uit respect.

Elk dorp heeft tevens een grote ‘toguna’, meestal hebben ze er zelfs vier à vijf. De toguna is een opvallende structuur die aan de zijkanten open is en waarvan het dak op enkele grote steenpijlers rust. Dit is net genoeg om ervoor te zorgen dat de mensen binnen kunnen plaatsnemen. Het is vaak een discussieplaats voor mannen van alle leeftijden waarin zij belangrijke handelszaken bespreken, samen tabak kauwen en bovendien kunnen ze hier uitrusten va de hitte van de middagzon.

Iedere eenheid telt een speciaal gebouw dat wordt voorbehouden voor de menstruerende vrouwen van de groep. Het is meer bepaald een ronde hut waar de vrouw kan koken en slapen tijdens haar menstruatie. Vaak was deze ‘yapunu ginu’ dicht bij het centrum geleden, in het zicht van de mannen in de toguna.

In de dorpseenheden heeft elke clan en zijn families een centraal huis, genaamd ‘gina’. Het was gebaseerd op een zeer oude structuur. Op de klifhellingen zijn deze meestal simpel opgebouwd en op het plateau zijn ze gedecoreerd met rijen die smalle gaten telden. Binnenin dit gebouw kun je dan altaren vinden en kleine heiligdommen die het middelpunt van de clancultuur weerspiegelen.

Dogon sculptuur, vermoedelijk een voorouderbeeld
Drie Dogon maskers
Dogon dansende poppen, uit de collectie van het Children's Museum of Indianapolis

Een gelaagde samenleving[bewerken]

De Dogon-gemeenschap is opgebouwd uit een aantal ambachtsgroepen, die iets van kasten hebben. Naast de meerderheid van de Dogon, de landbouwers zijn er aparte groepen van smeden en leerbewerkers, die elk endogaam zijn. Men wordt als smid of leerbewerker geboren, en trouwt alleen binnen de groep. Elk dorp heeft een paar families smeden, want ieder heeft ijzeren landbouwgereedschappen nodig. De leerbewerkers zijn echter minder verspreid tussen de verschillende dorpen, en wonen soms geconcentreerd. Hun taak bestaat eruit dat ze geitenvellen en vee huiden verzamelen, looien en er draagdoeken, tromvellen, of waterzakken van maken. Hun vrouwen kleuren met indigo of tabak de katoenen doeken die alle vrouwen van de Dogon-gemeenschap gebruiken. Deze groep heeft zich in de toeristische dorpen, zoals Sanga, gespecialiseerd in handel met toeristen. Ze verhandelen de beelden en maskers, die andere Dogon maken. Deze twee groepen hebben een joking relationship met elkaar, smeden plagen de leerbewerkers en omgekeerd, maar ze trouwen nooit met de ander, daar rust een zwaar taboe op. Ze verrichten kleine rituele functies voor de rest van de bevolking.

Familie[bewerken]

Het is een gemeenschap waarin polygamie een centraal element is. De families zijn uitgebreid en bestaan meestal uit één man, zijn vrouwen, hun kinderen, en als ze nog leven, zijn moeder en vader. Het woord ‘ginu’ staat voor ‘huis en zijn onmiddellijke omgeving’ (slaaphutten, graanschuren en een stal). Deze staan allen in een cirkel rond een binnenplein.

Privacy is hier niet aan de orde, want het huis van de Dogon-leden staat open voor de rest van de wereld. Het huis is omgeven door een eenvoudige, lage omheining van steen die hun eigendom markeert. De buren kunnen perfect binnenkijken. Een typisch familiedomein bestaat uit een hut voor de man, een hut voor elke vrouw (meestal niet meer dan twee), een aantal graanschuren en een altaar om te vereren en te offeren (weggestopt in een hoek van het domein en indien mogelijk zelfs gesitueerd onder een overhangende rots).

De persoonlijke huizen hebben een plat dak in tegenstelling tot de graanschuren die eerder een puntig dak hebben. De Dogon kent vier verschillende graanschuren: twee voor de man en twee voor de vrouw. De vrouwelijke graanschuren hebben een deur in het midden en de verschillende compartimenten zijn klein. In deze graanschuren bewaren ze hun persoonlijke eigendommen, de baobab-bladeren en bonen die ze dagelijks gebruiken voor de bereiding van hun sauzen. Geen enkele man zal en mag deze schuren ooit betreden. De man bezit echter één hoge graanschuur, bestaande uit twee levels en twee kleine deuren. De één boven de andere voor de opslag van millet en sorghum. Hoewel dit eten dient om de gehele familie te voeden, wordt het beheerd door de man. Deze neemt dagelijks een bepaalde hoeveelheid voor de maaltijden. De tweede mannelijke graanschuur is specialer: bestaat uit een zeer kleine deur aan de onderkant die juist groot genoeg is om te kunnen binnentreden en bestaat uit twee lagen. Het is een schuur waar zeer oude mannen slapen, dit geeft hun status en respect van hun medemensen.

Rotsschildering bij Bandiagara

Zoals mannen en vrouwen hun eigen, gescheiden hutten en graanschuren hebben, zo hebben zij ook hun specifieke taken in het huishouden. De mannen nemen de zware landbouwtaken op zich en bouwen huizen, repareren graanschuren, vlechten het stro voor de daken en maken ze werktuigen. De vrouwen halen het water, koken, bewerken de landbouwgronden en maken potten. Ze planten de gewassen voor de dagelijkse maaltijden. Zij brouwen tevens bier, wat hen de mogelijkheid geeft om zelf geld te verdienen.

Dogon biercultuur[bewerken]

Dit bier wordt het 'vloeibare brood' genoemd, wat duidelijk maakt dat bier als bron van voedingsstoffen onderdeel is van het dieet, tenminste voor de mannen. Daarnaast heeft bier bij de Dogon vele andere functies: het is een belangrijke inkomstenbron, het creëert sociale relaties en het versterkt de familie- en voorouderrelaties. Daarnaast draait één van de belangrijkste gebruiken om bier: het sigi ritueel. Dit ritueel geeft op symbolische wijze vorm aan het hierboven beschreven verschil tussen mannen en vrouwen.

Bier is essentieel in het leven, vooral voor de mannen, maar wordt uitsluitend gebrouwen door uitsluitend door vrouwen. Het bier wordt gemaakt van sorghum en gierst. Dit wordt eerst geweekt in water en men laat het kiemen. De kiemen worden gemalen en daarna langdurig gekookt. De verschillende graansoorten worden niet allemaal even lang meegekookt, zodat sommige zoet blijven en andere een bittere smaak ontwikkelen. Het mengen van de graansoorten is een precies werkje, duurt daarom ook lang en is bepalend voor de smaak van het bier. Laatste stap is het gistingsproces met behulp van gist in een tasje van baobabvezels. Als dit allemaal is gelukt is de konyo klaar. Drinken is dus een mannenvoorrecht en brouwen het vrouwenprivilege. Reinheid is bij de Dogon erg belangrijk; wanneer een vrouw menstrueert, mag zij zich niet bezighouden met sacrale zaken, omdat die dan ontheiligd worden. Juist omdat er geen mannen zijn betrokken bij het brouwproces, hebben de vrouwen controle over de mannen. Mannen zijn afhankelijk van vrouwen voor het bier en de veiligheid daarvan (gif kan worden toegevoegd). In feite wordt de complementariteit van tussen de seksen zo uitvergroot in deze harmonieuze samenleving, omdat juist samenwerking belangrijk is om te kunnen overleven in dit ontoegankelijke leefgebied.

Religie[bewerken]

De Dogon religie kent geen schrift en wordt gekenmerkt door veel en spectaculaire rituelen. De Dogon kennen drie goden, Ama, de hemelgod, Lèwè de aardegod en Nommo, de watergod. Daarnaast zijn er vier verschillende soorten geesten, waarvan één gezien wordt de oudste bewoners van de helling, de atûwûnû, kleine zwarte wezens met grote hoofden die soms kinderen heten te roven. Allen worden genoemd tijdens het offer, zoals ook de voorouders. Er zijn twee clusters rituelen: het offercomplex, en de rituelen die te maken hebben met de dood. Offers vormen de kern van de Dogon religie, offers op elk sociaal niveau: het huis, de wijk, de clan, de dorpshelft en het dorp als geheel; elk van die echelons heeft zijn eigen altaar, elk met een verschillende naam. Minstens eens per jaar moet daarop een geit of schaap en een paar kippen worden geofferd, hetzij op indicatie van de vos-divinator, maar in elk geval tijdens het jaarlijkse buro-feest, in Juni. Tijdens dat laatste feest wordt op alle altaren geofferd, eerst die van het dorp, en dan de andere. Het feest zelf bestaat uit het bedanken van elkaar, vrouwen bedanken mannen dat zij het dorp hebben bewaard, mannen bedanken vrouwen dat er überhaupt mensen zijn om in het dorp wonen. Het wordt afgesloten met een grote parade op de markt, in een wedstrijd tussen de dorpshelften wie het mooiste tevoorschijn komt.

Maar het spectaculairste zijn de riten rond de dood. De overledene wordt meestal snel bijgezet in één van de grotten hoog in de bergwand. Bij het overlijden van een clanoudste, of in elk geval eens per jaar, volgt de eigenlijke begrafenis, 'nyû yana', die dagen voor de mannen en twee voor de vrouwen die het afgelopen jaar zijn overleden. Hoogtepunten van dit ingewikkelde complex riten zijn dansen met schijngevechten, waarin de Dogon paraderen en schieten met de geweren die hun smeden maken, type oude voorlader met vuursteenslot, zoals ze in Europa tot de Napoleontische oorlogen zijn gemaakt. 's Nachts worden lange gezangen ten gehore gebracht, waaronder de 'baja ni', het verhaal van een blinde profeet-zanger uit de 19e eeuw.

Dit is het eerste deel; het tweede deel van de begrafenis is de maskerdans, 'dama' of 'dô'. Om de 5-12 jaar - het verschilt per dorp - sluit deze spectaculaire maskerade de rouwperiode af. Gedurende een maand vlak voor de natte tijd, maken alle jongemannen maskers, en maken als groep een intocht in het dorp. Een week lang dansen ze dansen in alle wijken, met aan het eind een massaal optreden aan de voet van het dorp. Dogon maskers zijn al lang zeer in trek bij kunstverzamelaars en musea, maar ook bij toeristen. Voor toeristen wordt een klein, geselecteerd deel van dit programma opgevoerd in het toeristenseizoen, maar dat heeft weinig met het eigenlijke ritueel te maken. Na de 'dama' zijn de overledenen voorouder geworden en kunnen ze enigszins voortleven in een kind dat daarna wordt geboren.

Dood en nieuw leven horen bij elkaar bij de Dogon, en de laatste fase is een ritueel van geboorte, de 'Sigi'. Eens in de zestig jaar start de cyclus in het Noorden, en verhuist elk jaar naar een groepje dorpen zuidelijker, vijf jaar lang, om te eindigen in Bandiagara. Voorbereidingen voor dit ritueel nemen maanden in beslag, omdat de rituele teksten moeten worden geleerd aan nieuwe dorpssprekers, in de rituele taal, het 'Sigi so', ook de taal waarin de maskers worden toegesproken. Het ritueel zelf bestaat uit een wandeling door het dorp, alle mannen prachtig uitgedost achter elkaar op volgorde van leeftijd. Het hoogtepunt is het bierritueel. Gezeten op een zitstok, drinkt elke deelnemer het Dogon bier uit een ovale kalebas, die met de linkerhand wordt vastgehouden. Beter kan het leven niet worden. Dan gaat iedereen naar huis om daar verder te drinken. De kalebas wordt nooit meer gebruikt en vernietigd wanneer de eigenaar is overleden, net als de Y-vormige zitstok. Tijdens het ritueel staan de vrouwen op een afstandje toe te kijken. Ieder hoort de Sigi eenmaal in zijn leven te 'zien', dan is men eindelijk ten volle geboren.

De Dogon religie kent mythen over het ontstaan van deze rituelen, de komst van de maskers en de eerste Sigi. Ook zijn er verhalen hoe de eerste voorouders zich langs de klif hebben gevestigd, en mythen over de wisseling van de seizoenen, nat en droog. De Dogon kennen, in tegenstelling tot wat enkele antropologen in het verleden hebben gesteld - zie Marcel Griaule -, geen echte scheppingsverhalen, maar dat is bij Afrikaanse culturen niet ongewoon.

Maskeropvoering voor toeristen

Toerisme[bewerken]

Al lang is het Dogon gebied een toeristische bestemming. Vanaf de Tweede Wereldoorlog kwam langzaam het toerisme op gang naar Mali, en na de onafhankelijkheid van Mali in 1960 kwam al het Malinese toerisme onder de parastatal de SMERT (Société Malienne d’Exploitation des Ressources Touristiques). Vanaf de jaren ’70 kwamen er steeds meer toeristen, aangetrokken door het landschap, de karakteristieke Dogon dorpen op de helling, en de bijzondere cultuur. Andere bestemmingen waren Djenné, Mopti en Timboektoe. In het Dogon gebied dansten onder SMERT auspiciën eerst in Sanga, en later ook in andere dorpen zoals Tireli, maskergroepen voor de toeristen. In het programma voor structurele aanpassing werden vanaf 1984 alle parastatals ontmanteld, de hotels geprivatiseerd, en namen de Dogon het toerisme in eigen handen. Het aantal toeristen bleef stijgen, tot 2011, toen de Touareg en Islamistische rebellie een voorlopig einde maakte aan het toerisme. Op de Dogon cultuur als zodanig heeft het toerisme weinig invloed gehad, wel verhoogde het de bestaande focus op maskers.

Huidige situatie[bewerken]

De recente troebelen in Mali hebben het Dogongebied niet ongemoeid gelaten. In de confrontatie tussen Zuid Mali en het rebellerende Noorden, was hun gebied plotseling de grens tussen strijdende partijen. Door de onveiligheid moesten alle blanken uit het gebied vertrekken en stortte het voor de Dogon belangrijke toerisme in. Daarnaast hadden zij intern nog enige rekeningen te vereffenen, met Moslim handelaren in de regio, en tussen dorpen onderling. Daarbij zijn slachtoffers gevallen, en tussen sommige dorpen is de situatie nog gespannen. In Bandiagara, de hoofdplaats van het Dogon plateau, is de invloed van de rebellengroepen duidelijk geweest. Sinds eind 2013 beginnen langzamerhand de eerste toeristen weer voorzichtig te verschijnen, al geldt er nog een negatief reisadvies. Afgezien hiervan zijn de Dogon steeds prominenter in Mali aanwezig. Velen van hen hebben een hogere opleiding gevolgd, werken als arts of diplomaat in de hoofdstad of het buitenland. Ook zijn er tegenwoordig Dogon-antropologen. Bewust als ze zich zijn van hun eigen cultuur, hebben ze een eigen culturele associatie opgericht, Ginna Dogon ('groot huis') die om de paar jaar een groot cultureel festival organiseert in het Dogon gebied zelf. Dogon maskergroepen hebben inmiddels opgetreden in de hele wereld, van Parijs tot Washington, en van Antwerpen tot Tokyo.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • R.M.A. Bedaux & D. van der Waals, De Dogon, Mythe en werkelijkheid in Mali, Leiden: Rijksmuseum voor Volkenkunde, 2003.
  • Stephenie Hollyman & Walter E.A. van Beek, Dogon. Africa’s people of the Cliffs. New York, Abrams, 2001. ISBN 0810943735
  • Jean Laude, African art of the Dogon. The myths of the Cliff Dwellers. Brooklyn Museum, New York, 1973. ISBN 0670109282
  • Eric Jolly, Boire avec esprit; bière et société Dogon, Nanterre, Société d'Ethnologie, 2004.
  • Slobin, K. (1998) 'Repairing the Broken Rules: Care-Seeking Narratives for Menstrual Problems in Rural Mali', Medical Anthropology Quarterly, vol. 12, no. 3, p. 363 - 383.
  • Walter E.A. van Beek, 'To dance or not to dance: Dogon masks as an arena', in W.E.A. van Beek & A. Schmidt African Hosts and their Guests. Dynamics of Cultural Tourism in Africa, James Currey, Oxford, 2012: 37-57. ISBN 978-1-84701-049-0
  • Walter van Beek, (2011) 'The Gender of Beer: Beer Symbolism among the Kapsiki/Higi and the Dogon', in: W. Schiefenhövel and H. Macbeth (eds.) The Anthropology of Food and Nutrition. New York: Berghahn Books, p. 147 - 158.
  • Walter van Beek, 'Boys and masks among the Dogon', in S. Ottenberg & D.A. Binckley (eds.) Playful Performers. African Children’s Masquerades, Transaction Publishers, New Brunswick & London, 2006, p. 67 – 88.
  • Walter van Beek, 'The Dogon heartland: rural transformations on the Bandiagara escarpment', in M. de Bruijn, H. van Dijk, M. Kaap & K. van Til (eds.) Sahelian Pathways; Climate and Society in Central and South Mali, African Studies Centre Research Report 78/2005, p. 40-70.
  • Walter E.A. van Beek, The Innocent Sorcerer; Coping with Evil in Two African Societies, Kapsiki and Dogon, in: T. Blakely, W.E.A. van Beek & D.L. Thomson (eds.), African Religion: Experience and Expression, London: James Currey, 1994,np. 196-228.
  • Walter E.A. van Beek, 'Dogon Restudied: A Field Evaluation of the Work of Marcel Griaule', Current Anthropology 32 (2), p. 139-167.