Gelijkenis van de rijke man en Lazarus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit artikel gaat over de gelijkenis van de rijke man en Lazarus. Kijk voor Lazarus die door Jezus uit de dood zou zijn opgewekt bij Lazarus.

De gelijkenis van de rijke man en Lazarus is een verhaal verteld door Jezus. De gelijkenis wordt in de Bijbel alleen genoemd in het Evangelie volgens Lucas (Lucas 16 vers 19-31). In de Bijbel staat niet expliciet dat dit verhaal een gelijkenis (parabel) is, maar hoewel sommige gelovigen het verhaal daarom als waar gebeurd beschouwen, is de gangbare opinie dat het hier om een gelijkenis van Jezus gaat.

De gelijkenis van de rijke man en Lazarus, afbeelding uit de Codex Aureus Epternacensis (ca. 1035).

In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt het verhaal als volgt verteld [1]

Aanhalingsteken openen

Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.

Aanhalingsteken sluiten

De schoot van Abraham is een typisch begrip in de joodse mythologie.[2][3][4][5]

Het thema van de gelijkenis komt in meer van Jezus' gelijkenissen voor: liefdadigheid betekent zorgen voor hen die onderaan de maatschappelijke ladder staan. Met name in het Evangelie volgens Lucas zijn veel verwijzingen naar dit thema te vinden.

Onder theologen en gelovigen bestaat onenigheid over de betekenis van het laatste deel van de gelijkenis, dat gaat over het leven na de dood. Sommigen zien de gelijkenis als een aankondiging van het bestaan van een hemel en een hel waar de ziel van overleden direct na het overlijden terechtkomen. In het Bijbelboek Openbaringen wordt geschreven dat het Laatste Oordeel pas zal plaatsvinden na afloop van het duizendjarig rijk en dat de zielen tot die tijd rust hebben. Weer anderen zien de beschrijving van de hemel en de hel in deze gelijkenis vooral symbolisch. Zij wijzen erop dat de gelijkenis naar hun mening vooral over moraliteit tijdens het leven gaat en niet over het leven na de dood.

Naast een individuele betekenis, heeft het verhaal mogelijk ook een maatschappelijk-politieke betekenis. Bijvoorbeeld, de Duitse theoloog Johann Nepomuk Sepp,[6] de Franse Abbé Claude-Joseph Drioux,[7] en de Britse schrijver Harry Whittaker identificeren de rijke man als Kajafas, en de vijf broers in het huis van zijn vader als de vijf zonen van Annas.[8] Volgens sommigen staat de rijke man voor de joodse geestelijke leiders. Purperen gewaden werden in Jezus' tijd gedragen door koningen, fijn linnen door priesters. Met de honden die de zweren likken zouden de heidense buurvolkeren bedoeld worden (honden worden door joden als onrein beschouwd).

Lazarus en lepra[bewerken]

Het verhaal van de rijke man en Lazarus werd in de Middeleeuwen veel verteld. Vanwege de zweren op zijn huid werd de ziekte van Lazarus in die tijd geïnterpreteerd als lepra (melaatsheid) en zo werd Lazarus patroonheilige van de melaatsen. Oud-Nederlandse woorden als Lazerij (lepra) en Lazaret (veldhospitaal, vroeger: leprozerie buiten de stadsmuren) zijn afkomstig van de naam van deze Lazarus.

Referenties[bewerken]

  1. De Bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004. Uit de Nieuwe Bijbelvertaling mag vrij worden geciteerd tot een maximum van 50 verzen, mits het aantal geciteerde woorden niet meer bedraagt dan 50% van een Bijbelboek en/of dan 50% van de tekst van het werk waarin ze worden geciteerd.
  2. 2034:11 "de schoot van Abraham en Isaak en Jakob" - F. Preisigke, Sammelbuch Griechischer Urkunden aus Aegypten, Straatsburg 1915
  3. 4 Makkabeeën 13:17 - 4 Maccabees J.H. Charlesworth, The OT Pseudepigrapha, Doubleday 1983
  4. Apocalyps van Sefanja 9:2 - Apocalypse of Zephaniah J.H. Charlesworth, The OT Pseudepigrapha, Doubleday 1983
  5. Ginzberg, L. Legends of the Jews
  6. Sepp J.N. "seine fünf Brüder sind fünf Schwäger mit Namen: Eleazar, Jonathan, Theophilus, Matthias und Ananus, die nach einander ebenfalls das Pontifikat erlangten. Der Vater, an welchen Lazarus geschickt werden soll, ist Annas selber." Thaten und Lehren Jesu mit ihrer weltgeschichtlichen Beglaubigung 1844 S.329
  7. "Le mauvais riche serait Caiphe qui était arrivé au souverain pontificat à force d'argent. Ses cinq freres seraient les cinq fils du viel Anne son beau-père Eléazar, Jonathan, Théophile, Matthias et Ananias. Après sa résurrection le témoignage de Lazare ne les trouva pas moins obstinés dans leur erreur qu'auparavant et c'est cet endurcissement que Jésus prédit quand il dit que du moment qu'ils n'écoutent ni Moïse ni les prophètes ils n'écouteront pas d'avantage quelqu'un qui viendrait de l'autre monde et qui aurait été resuscité d'entre les morts." Drioux. La Bible populaire: hist. illustrée de l'Ancien et du Nouveau Testament. Hachette, Paris 1864
  8. Whittaker, H.A. Studies in the Gospels, Biblia. Staffordshire, 1996

Externe link[bewerken]