Gerbrand Adriaensz. Bredero

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret van Bredero. Tekening (reproductie uit 1619) naar een gravure. Met boven zijn lijfspreuk "'t kan verkeren" en onder zijn personalia
Monument voor Bredero in Amsterdam

Gerbrand Adriaensz. Bredero (Amsterdam, 16 maart 1585 - aldaar, 23 augustus 1618) was een Nederlands dichter, toneelschrijver en rederijker. Hij was een der grote Nederlandse 17de-eeuwse auteurs.

Leven[bewerken]

Gerbrand Adriaenszoon Bredero was het derde kind van Adriaen Cornelisz. Bredero en Marry Gerbrands. Hij is geboren op 16 maart 1585 in Amsterdam. Het gezin bestond uit 12 kinderen, van wie de meeste jong gestorven zijn.

De naam Bredero is afkomstig van een uithangbord of gevelsteen met de beeltenis van de geuzenjonker Hendrik van Brederode (1531-1568), die in calvinistische kringen vereerd werd om zijn optreden bij het Verbond der Edelen en bij de aanbieding van het zogenaamde smeekschrift. De vader van Bredero was schoenmaker in de betere kringen (geen schoenlapper, die behoorden zelfs tot een ander gilde). Hij was tevens kapitein bij de schutterij. Later werd hij belastingpachter en kon hij zich een kleine kunstverzameling veroorloven.

Het huis waarin Bredero geboren werd, stond aan de Nes, die destijds de Gansoort genoemd werd. Naast deze woning stond een vleeshal, waarboven de rederijkerskamer d'Eglantier gevestigd was. In december 1586 kocht Bredero's vader deze woning, die hij sinds mei 1584 gehuurd had. In 1602 verhuisde het gezin naar een pand aan de Oudezijds Voorburgwal, bij de Varkenssluis. Daar heeft de dichter zijn verdere leven gewoond. Bredero was een ras-Amsterdammer, bewust burger en kunstenaar. Dat alles in een tijd dat Amsterdam als handelsstad snel in welstand, macht en omvang groeide. Amsterdam had deze rol overgenomen van Antwerpen, nadat geleerde en welgestelde burgers Antwerpen in groten getale om religieuze redenen hadden verlaten om zich in Amsterdam te vestigen.

Bredero kreeg behoorlijk onderwijs. Zo leerde hij Frans en sprak hij waarschijnlijk Engels en Latijn. Daarna ging hij in de leer bij de Antwerpse kunstschilder François Badens, die in Amsterdam woonde, maar helaas zijn er geen gesigneerde schilderijen van Bredero bekend. Het beroep van kunstschilder werd destijds maatschappelijk erkend, in tegenstelling tot dat van dichter. Er wordt aangenomen dat hij rond zijn twintigste jaar omging met leden van d'Eglantier, vooral met de leden van de Brabantse kamer. Daarnaast ging hij om met andere dichters en schilders in Amsterdam en de directe omgeving daarvan. Vanaf ongeveer 1611 had hij zich een belangrijke positie verworven als toneelschrijver.

In 1616 maakte hij kennis met Hugo de Groot, aan wie hij de druk van Rodd'rick ende Alphonsus opdroeg. Hij was daarnaast bevriend met P.C. Hooft. Ook volgde hij Samuel Coster, die in 1617 na onenigheid bij d'Eglantier de Nederduytsche Academie oprichtte.

Bredero is nooit getrouwd, al blijkt uit zijn romantische gedichten wel, dat vele vrouwen een rol in zijn leven hebben gespeeld. De dichteres Maria Tesselschade Visscher was een van hen, en in de winter van 1617-1618 de 19-jarige Magdalena Stockmans. De laatste trouwde in juni 1618 met de twintig jaar oudere Antwerpse koopman Isaac van der Voort en ging met hem naar Napels, waar hij woonde. Voor haar schreef Bredero het gedicht Oogen vol maiesteit, dat hij haar nastuurde.

Eind december 1617 zakte Bredero, die per slee terugkeerde van een begrafenis in Haarlem, door het ijs. Mocht hij hierdoor al ziek zijn geworden, dan is hij daarvan snel hersteld, want 1618 was voor hem een behoorlijk productief jaar. Hij overleed getuige de doodsberichten vrij plotseling, op 23 augustus 1618 in Amsterdam, juist toen Holland in politiek opzicht uiterst kritieke dagen beleefde: op 29 augustus vonden de arrestaties van Johan van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot plaats. Volgens een aantekening van Bredero sr. is de dichter begraven 'In der Heyliger Stede' (Kalverstraat). Het enige portret dat van de dichter bekend is, is een gravure die in verschillende uitgaven van zijn werk is afgebeeld, maar ook die is pas na zijn dood gemaakt.

De kluchten van Bredero (met name De klucht van de koe en De klucht van den meulenaer) zijn nog relatief bekend bij het publiek, daar deze werken soms nog opgevoerd worden, vooral op scholen en soms ook door toneelgroepen (o.a. Theatergezelschap De Kale en toneelstichting Leydse KluchtenCompagnie).

Werken[bewerken]

Theatergezelschap De Kale speelt De Klucht van de Molenaar op locatie

De jaartallen zijn die van de eerste publicatie, de toneelstukken waren gewoonlijk al eerder opgevoerd.

Treurspelen[bewerken]

  • Treur-spel van Rodd'rick ende Alphonsus (1616)
  • Griane (1616)
  • Lucelle (1616)
  • Stommen ridder (1619)
  • Angeniet (1623) (onvoltooid)

Kluchten[bewerken]

  • De Klucht van den Molenaer (1613)[1][2]
  • De Klucht van de koe (1612)[3]
  • Symen sonder soeticheydt (1619)[4]
  • De Hoochduytschen Quacksalver (1619) (onduidelijk of Bredero de auteur is)[5]

Blijspelen[bewerken]

  • Moortje (1615)
  • De Spaanschen Brabander Ierolimo (1617)[6]

Gedichten[bewerken]

Canon van Amsterdam[bewerken]

Vernoemd naar Bredero[bewerken]

In Amsterdam bestaan drie scholen die vernoemd zijn naar Bredero: Bredero Beroepscollege, Bredero Lyceum en Bredero Mavo. Voorheen heetten deze scholen kortweg Bredero College.[8]

Recente uitgaven van of met werk van Bredero[bewerken]

  • J. ten Brink e.a. (ed.), De werken van G.A.B., 3 dln. (1890)
  • J.A.N. Knuttel (ed.), De werken van G.A.B., 3 dln. (1921-1929)
  • A.A. van Rijnbach (ed.), De kluchten (1924)
  • F.R. Coers Fzn. (ed.), 'Liederen van B.', in Liederen van Groot-Nederland (1933)
  • A.A. van Rijnbach, Groot lied-boeck (1944)
  • C.H.A. Kruyskamp (ed.), Rodd'rick ende Alphonsus (1968)
  • Jo Daan (ed.), Kluchten (1971)
  • C.A. Zaalberg (ed.), Lucelle (1972)
  • C.H.A. Kruyskamp, Stommen ridder (1973)
  • F. Veenstra, Griane (1973)
  • C.F.P. Stutterheim (ed.), Spaanschen Brabander (1974)
  • B.C. Damsteegt (ed.), Het daget uyt den Oosten (1976)
  • C.H.A. Kruyskamp (ed.), Kluchten (1976)
  • E.K. Grootes (ed.), Schyn-heyligh (1979)
  • A. Keersmaekers (ed.), Toneelspelen (1979)
  • F.H. Matter, G. Stuiveling e.a. (ed.), Groot lied-boeck, 3 dln. (1979-1983)
  • A. Keersmaekers (ed.), Vertaalde gedichten (1981)
  • P.E.L. Verkuyl (ed.), Angeniet (1982)
  • B.C. Damsteegt (ed.), Moortje (1984)
  • H. Adema (ed.), De klucht van de koe: tekst en vertaling (1985) ISBN 90-6620-026-X
  • H. Adema (e.a.), De klucht van de meulenaer: tekst en vertaling (1993) ISBN 90-6620-503-2
  • A.M. de Jong heeft een roman over zijn leven geschreven: De dolle vaandrig, ISBN 90-6010-367-X

Lijfspreuk[bewerken]

Gevelsteen in Amsterdam met Bredero's lijfspreuk

't Kan verkeren was de lijfspreuk van Bredero. Dit is dan ook toegepast in de meeste van zijn gedichten. Bijvoorbeeld in zijn beroemde gedicht Boeren-geselschap: daar begint alles op heel vrolijke toon, maar het gedicht eindigt met een vechtpartij. Daarnaast had Bredero nog een devies, namelijk Al siet men de lui - men kent se niet.

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. UVA.nl
  2. DBNL.org
  3. DBNL.org
  4. DBNL.org
  5. DBNL.org
  6. DBNL.org
  7. DBNL.org
  8. http://www.brederocollege.nl
Wikisource NL Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Gerbrand Adriaensz. Bredero op de Nederlandstalige Wikisource.