Germinal (roman)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gil Blas - Germinal.jpg

Germinal (in het Nederlands ook uitgegeven als De mijn) is één van de 20 delen uit de verhalencyclus Les Rougon-Macquart van Émile Zola dat in 1884-1885 als feuilleton werd gepubliceerd in het franse tijdschrift Gil Blas. In Germinal brengt Zola de barre omstandigheden van het leven van de 19e-eeuwse mijnwerkers aan het licht. De titel is afgeleid van de republikeinse kalender en staat voor de lentemaand. Hieruit blijkt de cultus van de vernieuwing: de hoop op een nieuw leven voor de mijnwerkers.

Zola documenteerde zich uiterst zorgvuldig voor het schrijven van dit verhaal. Hij observeerde de werking van de mijnen, de levensstijl van de mijnwerkers en hun sociale status in de maatschappij. Dankzij deze documentaire nauwkeurigheid zijn de passages bijzonder realistisch en gedetailleerd weergegeven, zowel in vertelling als in de beschrijving van de huisjes waarin de mijnwerkers hun dagen doorbrachten en de werking van de mijnen. Deze details waren zo realistisch dat ze vaak zelfs als choquerend werden ervaren. De mijnwerkers worden beschreven als menselijk vee, waarbij de lelijkheid wordt benadrukt: ze zijn namelijk bleek met blauwe plekken,... Deze beschrijvingen zijn niet toevallig zo grijpend, Zola had een achterliggende aanklacht, nl.: armoede maakt lelijk / de lelijkheid van de armoede. De nadrukkelijke aanwezigheid van het deterministische mensbeeld ("ras, milieu, moment") en de incorporatie van de politiek en wetenschappelijk betogen in de roman wijzen duidelijk op de naturalistische stijl.

Het werk heeft een epische toon en kent een zekere grandeur met zijn vele metaforen, zo wordt de fabriek bijvoorbeeld voorgesteld als iets dat mensen opslokt. Zola had een opmerkelijke betrokkenheid met de beschreven wereld opgebouwd, waardoor het werk een functie van emancipatie mee krijgt.

In Germinal wordt de vrije indirecte rede toegepast. Het werk verscheen eerst in feuilletonvorm en kende een immens succes.

Inhoud[bewerken]

Een jongeman, Etienne Lantier, is ontslagen na een conflict met zijn baas en arriveert in de mijnstreek Montsou in Noord-Frankrijk. Hij vindt werk in een mijn en onderdak bij het mijnwerkersgezin Maheu. Hij wordt verliefd op Catherine Maheu, maar zij is verloofd met de gewelddadige Chaval.

Etienne verspreidt revolutionaire ideeën en als er een loondaling komt zet hij de mijnwerkers aan tot staking. Deze leidt aanvankelijk tot niets en de mijnwerkers verhongeren. Wanneer de mijneigenaars mijnwerkers uit België willen inzetten vernielen de stakers de mijnen. Hierop grijpt het leger in en doodt verscheidene stakers, onder wie de vader Maheu. De mijnwerkers zetten de staking voort, maar keren zich tegen Etienne die zich verantwoordelijk voelt voor de ellende. Wanneer Catherine met een aantal mijnwerkers weer aan het werk gaat, neemt ook Etienne het werk weer op. Een anarchist saboteert echter de waterkeringen van de mijn. Een doorbraak en instortingen vernielen de mijn volledig en Etienne, Catherine en Chaval raken ingesloten. Na een provocatie vermoordt Etienne zijn rivaal en uiteindelijk sterft Catherine in zijn armen.

Na zijn redding verlaat Etienne de mijnstreek. Hij beseft dat de mijnwerkers hun doel niet hebben bereikt maar wel hun kracht hebben herkend.

Verfilmingen[bewerken]