Gudrun Ensslin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Gudrun Ensslin (Bartholomä, 15 augustus 1940Stuttgart, 18 oktober 1977) was een Duitse terroriste.

Ze was een van de oprichters van de Duitse terroristische groepering Rote Armee Fraktion (kortaf RAF). Nadat ze een relatie aanknoopte met medeoprichter Andreas Baader werd Ensslin invloedrijk in de radicalisatie van Baader's linkse ideeën en werd ze de intellectuele leider van de beweging.

[bewerk] Leven en dood

Ennslin groeide in Bartholomä als vierde van zeven kinderen op, in een luthers domineesgezin, als het typische brave meisje dat het goed deed op school en de Bijbel las. Ze ging studeren en kwam daar in aanraking met Bernward Vesper, een linkse Duitser. Met hem richtte ze in 1963 een kleine uitgeverij op, de Studio für neue Literatur. In 1965 trouwde ze met Vesper en verhuisde ze naar West-Berlijn, in 1967 kreeg ze een kind. Ensslin liep al met demonstraties tegen atoombommen en Amerikaanse bases in Duitsland en toen haar huwelijk met Vesper stuk begon te lopen ging ze zich helemaal met linkse groeperingen bezighouden.

In juni 1967 liep ze mee in een demonstratie tegen de sjah van Iran die op dat moment Duitsland bezocht. Hoewel Westerse regeringen zijn regime als hervormend zagen, was zijn regime ook bekend als bruut tegen zijn politieke tegenstanders en zouden er mensen gemarteld worden. Er braken gevechten uit tussen voor- en tegenstanders van de sjah en een man met de naam Benno Ohnesorg werd door een politieagent doodgeschoten. De volgende nacht noemde Gudrun Ensslin bij een politieke bijeenkomst West-Duitsland een fascistische staat.

De agent werd aangeklaagd maar in november 1967 werden de beschuldigingen opeens opgeheven, dit tot woede van de bevolking. De woede hield op een gegeven moment echter op, wat Ensslin dan weer boos maakte. Ze verliet haar man en kind in januari 1968 met Andreas Baader, die ze in de zomer van 1967 had ontmoet besloot ze actief tegen "het systeem" te gaan vechten. In de nacht van 2 april 1968 braken er branden uit in twee warenhuizen in Frankfurt. Baader, Ensslin en twee anderen werden drie dagen later gearresteerd en werden in oktober 1968 veroordeeld tot drie jaar cel. Ze werden in juni 1969 vrijgelaten, hangende een hoger beroep, maar doken onder toen dit beroep werd afgewezen. Baader werd gearresteerd, maar Ensslin bevrijdde hem samen met drie andere vrouwen, waaronder Ulrike Meinhof, uit een bibliotheek waar hij zonder handboeien wat onderzoek mocht doen, waarbij één personeelslid neergeschoten werd en zwaar gewond raakte. Dit was het begin van de gewelddadige acties van de groepering en de RAF. Ensslin werd samen met de anderen de meest gezochte persoon in Duitsland. Ze werd op 3 juni 1972 in Hamburg gearresteerd.

Verschillende pogingen haar te bevrijden uit de gevangenis, door het nemen van gijzelaars door symphatisanten en zogenoemde tweede-generatieleden van de RAF, faalden. Een daarvan was de gijzeling van Hanns-Martin Schleyer en de kaping door Palestijnen van het PFLP van een vliegtuig in 1977 in het Somalische Mogadishu die uitliep moord op een piloot, vervolgens op een succesvolle bestorming door Duitse commando's van het vliegtuig, waarbij alle passagiers en de bemanning ongedeerd bleven. Drie van de vier kapers werden gedood. De dag daarop, 18 oktober 1977 werd Ensslin dood gevonden in haar cel, evenals de twee andere RAF-gevangenen Andreas Baader en Jan-Carl Raspe. Officieel werden haar dood en die van de twee anderen als zelfmoord aangemerkt, maar sympathisanten hielden vol dat ze geëxecuteerd waren. Schleyer werd drie kogels door het hoofd geschoten en de dag na de dood van de drie werd zijn lijk in de omgeving van Mulhouse, net over de Franse grens, in de kofferbak van een auto gevonden.

 
Persoonlijke instellingen