Heksenprocessen van Salem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
1897 Illustratie van een rechtszaal van Salem waar de beruchte processen plaats vonden
Plattegrond van Salem ten tijde van de aanvang van de processen (1692), naar historische archieven gemaakt in 1866 door Charles W. Upham voor Salem Witchcraft, With an Account of Salem Village and a History of Opinions on Witchcraft and Kindred Spirits (1867)
Tibuta en de kinderen
Het Salem Witch Museum, Salem

De heksenprocessen van Salem begonnen in 1692 en resulteerden in een groot aantal veroordelingen in zowel Salem Village als Salem Town in de Massachusetts, toen een Engelse kolonie in New England. Ze leidden tot de terechtstelling van twintig mensen.

Inhoud

[bewerken] Achtergrond

De bevolking van Salem Village had een zwaar bestaan. Het waren vaak net uit Europa gearriveerde pioniers, die nederzettingen probeerden op te bouwen in de wildernis. Deze samenleving in opbouw kende de nodige spanningen:

  • botsingen tussen de pioniers en de autochtone bevolking, die elkaar als een bedreiging ervoeren
  • in de nederzetting ontstonden regelmatig felle ruzies over grond
  • de bevolking (meest landbouwers) was arm
  • er was een sterke sociale controle
  • men stond sterk onder invloed van het Puriteins geloof, met zijn strenge gedragsregels die geen ruimte lieten voor amusement
  • er was bijgeloof en angst voor de duivel
  • er was sprake van onderdrukking

Deze spanningen vormden de achtergrond voor de heksenprocessen.

[bewerken] Directe aanleiding tot de processen

Elizabeth Parrish, 9 jaar oud en haar nichtje Abigail Williams, 11 jaar oud, hadden in het geheim contact met Tituba Boyer. Zij was een Caraïbische/Indische slaaf, meegenomen door predikant Parrish. Gedurende de winter van 1692 was Tituba begonnen de meisjes verhaaltjes te vertellen over het leven in Barbados, en vaak vertelde zij over toverij. Tituba werd steeds enthousiaster en begon ook truukjes te demonstreren.

Ondanks hun jonge leeftijd wisten de meisjes dat deze zaken verboden waren in hun gemeenschap. Hun fascinatie voor deze praktijken maakte al snel plaats voor schuldgevoelens en spijt. Ze begonnen "vreemd" gedrag te vertonen dat door hun omgeving werd getypeerd als zware epileptische aanvallen van onnatuurlijke aard.

De meisjes vertoonden het volgende gedrag: zij gilden, gooiden spullen door de kamer en uitten vreemde klanken. Ook kropen ze onder meubilair, en namen allerlei onnatuurlijke lichaamshoudingen aan. Ze klaagden er over dat ze geprikt werden door naalden en bedekten hun oren bij het horen van een preek. Dorpsarts William Griggs kon uit deze symptomen niet verklaren wat de meisjes mankeerden. Hij kwam daarom tenslotte tot de diagnose dat de meisjes behekst waren. Deze vaststelling verspreidde zich als een lopend vuurtje door het dorp.

[bewerken] De beschuldigingen

De meisjes begonnen hun buren te beschuldigen van hekserij. De eerste beschuldigden waren drie vrouwen:

  • Sarah Good, een bedelares
  • Sarah Osbourne, een dementerende oude vrouw
  • Tituba Boyer, een andersgelovige slavin van vreemde etniciteit.

Deze drie vrouwen waren sociale verschoppelingen, uitgesloten van de maatschappij, en dus gemakkelijke doelwitten, omdat niemand het voor hen opnam. Zowel Good als Osbourne gingen niet naar de kerk, wat hen nog meer verdacht maakte. Deze vrouwen werd op 5 maart 1692 hekserij ten laste gelegd en zij werden opgesloten in de gevangenis. Meer beschuldigden volgden al snel:

  • Rebecca Nurse
  • Dorcas Good
  • Abigail Hobbs
  • Martha Corey
  • Elizabeth & John Proctor.

De vierjarige Dorcas Good, dochter van Sarah Good, bekende waarschijnlijk aan hekserij te doen om bij haar moeder in de gevangenis te kunnen zijn. Iedereen kon er in het voorjaar van 1692 van beschuldigd worden aan hekserij te doen. Het aantal beschuldigingen groeide, en de gevangenissen in Salem en Boston, en omringende streken raakten overvol.

De eerste processen waren eind mei 1692, nadat gouverneur Sir William Phips arriveerde en een speciale rechtbank instelde. Phips benoemde William Stoughton tot hoofd van justitie, deze had wel een theologische opleiding genoten, maar was niet bekend met het strafrecht. De dementerende Sarah Osbourne was toen in de gevangenis al een natuurlijke dood gestorven. Veel anderen werden ziek in de gevangenis.

[bewerken] Terechtstellingen

Tekening van de geëxecuteerde Giles Cory, bezweken onder het gewicht van de zware stenen na twee dagen (19 september 1692)

De terechtstellingen begonnen op 10 juli 1692 en eindigden op 19 oktober 1692. In deze periode werden negentien mensen opgehangen, onder wie een gerechtsdienaar die weigerde om nog meer mensen beschuldigd van hekserij op te sluiten. Onder de negentien slachtoffers bevonden zich zes mannen. De meerderheid van de slachoffers waren oudere arme vrouwen.

Er was slechts één terechtstelling die niet door ophanging gebeurde, namelijk die van Giles Cory, een 80-jarige landbouwer van buiten Salem. Hij weigerde te bekennen. De wet voorzag in dat geval in marteling om een bekentenis af te dwingen. Dit gebeurde door middel van een plank die op het lichaam van het slachtoffer gelegd werd; op die plank werden zware stenen gestapeld. Na twee dagen stierf Cory door het gewicht op zijn lichaam, maar zonder te hebben bekend.

[bewerken] Materieel gewin voor de overheid

De bezittingen van veroordeelden heksen werden in beslag genomen door de overheid, de bezittingen van beschuldigden werden vaak al voor het proces geconfisceerd.

[bewerken] In de dood nog geen rust

Ook in de dood werden de terechtgestelden geen vrede gegund. Als veroordeelde heksen werden ze geëxcommuniceerd door de kerk, en er vond geen behoorlijke begrafenis plaats. Zodra de dode lichamen van de beschuldigden van de galg waren gehaald, werden ze zonder enig ceremonieël in ondiepe graven gegooid.

[bewerken] Het einde

Een artikel dat Increase Mather publiceerde op 3 oktober 1692 over de processen maakte grote indruk op de publieke opinie. Mather stelde dat er beter tien heksen zouden kunnen ontsnappen, als zo zou kunnen worden voorkomen dat één persoon onschuldig veroordeeld werd. Het luidde het begin van het einde in voor de invloed die het Puriteinse geloof had op het beleid van de overheid van New England.

De heksenjacht en de processen eindigden in januari 1693. De mensen die in de gevangenis zaten op beschuldiging van hekserij kwamen niet meteen vrij. Het duurde nog tot mei 1693 voor zij allen tegelijk vrijgelaten werden.

Als een gevolg van de heksenprocessen werd een nieuw systeem van bestuur en rechtspraak ingesteld in 1695. Alle oude wetten vervielen en nieuwe werden van kracht. "Alle veroordelingen die onder het oude systeem uitgesproken zijn, zijn vervallen en dienen vergeten te worden" was een zinsnede uit één van die nieuwe wetten.

[bewerken] Latere periode

Vele familieleden van mensen die onterecht werden opgehangen zochten naar een manier om dit te verwerken, en naar gerechtigheid. Ze waren het niet eens met de wet die stelde dat men de gevolgen van de oude wet maar moest vergeten. Een veelvoud aan petities werd ingediend tussen 1692 en 1711, met steeds de eis dat men een geldelijke vergoeding zou krijgen voor de onrechtvaardige veroordelingen. Op 17 december 1711 werd tenslotte een bedrag van 578 pounds en 12 shillings beschikbaar gesteld om te verdelen onder diegenen die de processen overleefden en onder de nabestaanden van de terdood veroordeelden.

Voor 1954 waren echter nog steeds niet alle van hekserij veroordeelden gezuiverd van alle blaam. Afstammelingen van diegenen die valselijk beschuldigd waren, eisten van het General Court dat ook hun naam gezuiverd zou worden. In 1954 werd een wet van kracht waarin verklaard werd dat alle van hekserij beschuldigden en wegens hekserij veroordeelden vrij van schuld zijn.

In 1952 schreef de Amerikaan Arthur Miller het toneelstuk "The Crucible". Hij zag daarbij een analogie tussen de heksenjacht in Salem en de jacht op de communisten onder leiding van de Amerikaanse senator Joseph McCarthy.

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken