Hersenvliezen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hersenvliezen
Meninges
1=huid, 2=periost, 3=schedel, 4=hard hersenvlies, 5=spinnenwebvlies, 6=zacht hersenvlies
1=huid, 2=periost, 3=schedel, 4=hard hersenvlies, 5=spinnenwebvlies, 6=zacht hersenvlies
Synoniemen
Latijn Cerebri involucra[1]

Meninga[2]
Menice[3]
Meringe[3]
Meringes[3]
Miringes[3]
Omenta[3]
Operimenta cerebri[3]
Pelliculae[3]
Tegimina[3]
Elamides[3]

Oudgrieks Εἰλαμίδες[4][5]
Nederlands Hersenwindsels[1]
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De hersenvliezen of meninges[6] zijn structuren, die tussen de schedel en de cortex cerebri gelegen zijn en doorlopen om de kleine hersenen, de hersenstam tot aan het einde van het ruggenmerg in de onderrug. De hersenvliezen bevatten veel zenuwuiteinden, waardoor men deze wel voelen kan.

Er zijn drie hersenvliezen onderscheiden. Van buiten naar meer naar de hersenenstructuren:

Het harde hersenvlies ligt in principe direct en overal tegen de schedel. Dit vlies bestaat uit twee lagen: de periostale laag en de meningeale laag. De periostale laag vormt een geheel met het botvlies van de schedel. De meningeale laag is aan de kant van de hersenen gelegen. Tussen de twee lagen liggen op een aantal plaatsen bloedbanen. Er zijn drie inkepingen van het harde hersenvlies te onderscheiden: de falx cerebri, falx cerebelli en het tentorium cerebelli. Deze lopen respectievelijk van voorhoofd naar achterhoofd tussen de linker en rechter hersenhelften tot de hersenbalk en in het achterhoofd tussen de grote hersenen en de kleine hersenen.

Het spinnenwebvlies volgt in principe het harde hersenvlies. Dit vlies is aanmerkelijk dunner.

Het zachte hersenvlies is een zeer dun hersenvlies. Deze volgt de oppervlakte van de hersenen en het ruggenmerg. Tussen dit vlies en het spinnenwebvlies ligt een ruimte: de subarachnoïdale ruimte.

Bij een ontsteking van de hersenvliezen, spreekt men van een hersenvliesontsteking (Latijn: meningitis).

Literatuurverwijzingen
  1. a b Kiliaan, C. (1599/1972). Etymologicum Teutonicae Linguae. (ed. F. Claes s.j.). Den Haag: Mouton.
  2. Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  3. a b c d e f g h i Fonahn, A. (1922). ‘’Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages.’’ Kristiania: Jacob Dybwad.
  4. Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  5. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  6. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.