Jazzpoëzie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jazzpoëzie of jazz poetry is poëzie met jazzy ritmes en/of met elementen van improvisatie. Vaak worden gedichten voorgedragen onder begeleiding van jazzmuziek.

Geschiedenis[bewerken]

Tijdens de jaren 1920 begonnen een aantal Engelstalige dichters zich te onttrekken aan de conventies van ritme en stijl. Onder hen bevonden zich Ezra Pound, T.S. Eliot en E.E. Cummings. Ze streefden naar een gelijktijdige ontwikkeling van poëzie en jazz in de Jazz Age, wat resulteerde in de samenvoeging van de twee kunstvormen in "jazz poetry". Jazzpoëzie was gedurende lange tijd een kunstvorm buiten de mainstream. Pas met de eerste publicaties van Langston Hughes en Sterling Brown, respectievelijk in 1926 en 1932, werd jazz in de poëzie niet meer als iets vreemds beschouwd. Na de jaren 1920 herleefde het in de jaren 1950 onder meer in het werk van de dichters van de Beat Generation. Zo liet ook Jack Kerouac zich bij zijn voordrachten muzikaal begeleiden. Afro-Amerikaanse dichters uit de jaren 1960 lieten zich inspireren door jazzsaxofonist John Coltrane en interpreteerden zijn muziek als een muzikale vertegenwoordiging van de zwarte burgerrechtenbeweging. Nog later werd jazz poetry in aangepaste vorm toegepast in hiphopmuziek en live poëzie-evenementen die bekendstaan als poetry slams.

Stijlkenmerken[bewerken]

Behalve het nabootsen van gesyncopeerde ritmes en repetitieve frasen uit de jazz spelen ook vrijheid en improvisatie een grote rol.

Vertegenwoordigers[bewerken]

Dichters uit het Nederlands taalgebied die optreden met jazzpoëzie zijn bijvoorbeeld Martin Beversluis, Tómas de Faoite, Kees van Meel en Kees Visser. De Vlaamse dichter Paul van Ostaijen raakte in het tot puinhoop herschapen Europa na WOI geïnspireerd door de jazz.

Externe link[bewerken]

  • Jazz + Poetry, Youtubefilmpje met onder meer een optreden van Kees Visser.