Landing (luchtvaart)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Landende Cessna 152

Landen is het deel van de vlucht van vliegtuigen, vogels of ruimtevaartuigen waarbij deze de grond bereiken.

Te hard landen wordt voorkomen door vleugels, rotorbladen, een parachute of verticaal geplaatste raketten of straalmotoren. Bij luchtballonnen wordt er geland door geleidelijk het drijfvermogen te verminderen.

Inleiding[bewerken]

Luchtvaartuigen landen gewoonlijk op een vliegveld op een harde startbaan, ook wel landingsbaan genoemd. Meestal worden deze gemaakt van asfalt, beton, gravel of gras. Er zijn vliegtuigen die speciaal uitgerust zijn om te landen op water, sneeuw of ijs. In de ruimtevaart wordt de landing uitgevoerd op water of op terrein, waarbij de klap wordt opgevangen door airbags aan weerszijden van de capsule.

Een Knobbelzwaan landt op het water. De uitgespreide veren vergroten de liftkracht net zoals de slats en flaps dat doen bij een vliegtuig.
Een zweefvliegtuig (ASW 20) komt aanvliegen voor de landing, het (landings)wiel is uitgeklapt.

Het landen van bijvoorbeeld een C-130 Hercules op een grasveld midden in een oorlogsgebied is niet te vergelijken met de landing van een Cessna 152 op een goed onderhouden landingsbaan of de landing van een Airbus A380. Een landing van een zweefvliegtuig is ook weer verschillend hiervan omdat het vliegtuig zonder motorvermogen aan komt vliegen, en dus niet de mogelijkheid heeft om een doorstart te maken indien er bij de landing iets fout gaat.

Beroepspiloten worden opgeleid om te kunnen landen in allerlei omstandigheden en moeten brevetten behalen om de verschillende typen vliegtuigen te kunnen besturen.

Beschrijving landing vliegtuig[bewerken]

Zicht vanuit de cockpit vlak voor de landing

Bij het landen komt een vliegtuig onder een constante dalingshoek en met een relatief lage snelheid op het landingsterrein aangevlogen, dit noemt men de eindnadering (Engels: final approach). De daalhoek is meestal ongeveer 3 graden. De piloot controleert deze hoek door het variëren van het motorvermogen en de hoek van het toestel ten opzichte van horizontaal. Als hulpmiddel om met een constante daalhoek naar de landingsbaan te vliegen gebruikt de piloot signalen van het Instrument landing system of -als hij op zicht landt- de lichten van de Precision Approach Path Indicator. Vlak voor de landing op de landingsbaan begint het "afvangen" (Engels: flare) waarbij de neus van het toestel iets wordt opgelicht waardoor de daling langzamer gaat. Deze stand wordt gehandhaafd totdat het landingsgestel de grond raakt. De piloot corrigeert het toestel daarna alleen nog maar om ook het neus- of staartwiel een zachte landing te laten maken.

Bij kleine vliegtuigen spreekt men van een ‘perfecte’ landing als het toestel neerkomt -op de juiste plaats op de landingsbaan- op het moment dat de verticale daalsnelheid gering is, (op deze manier volgt er een zachte landing). De relatieve luchtsnelheid (IAS) is dermate gedaald is dat het vliegtuig dreigt te overtrekken. (Soms is in het toestel daarom al een overtrekalarm te horen.)

Grote vliegtuigen landen door het toestel 'tegen de landingsbaan te vliegen’: de snelheid en de hoek van het toestel worden nauwkeurig ingesteld; de snelheid wordt ruim boven de overtreksnelheid gehouden met een constante daalsnelheid. Vlak voor de landing wordt de daalsnelheid sterk verminderd met als gevolg een zachte landing. Meestal worden de spoilers, of lift-dumpers, automatisch omhoog geklapt om de liftkracht van de vleugels onmiddellijk te verlagen en het gewicht op de wielen te laten terechtkomen waarna mechanische remmen, de autobrakes hun effect kunnen hebben. Straalomkering (Engels: reverse thrust), het omkeren van de luchtstroom van de motoren naar voren in plaats van naar achteren, zorgt voor nog meer vertraging. Sommige propellervliegtuigen kunnen de bladen van de propeller verdraaien (de 'spoed' verstellen) zodat deze als een grote rem werken.

Invloedsfactoren[bewerken]

De lijst van factoren die de landing beïnvloeden is lang en niet compleet: het gewicht van het vliegtuig, de wind, de lengte van de landingsbaan, eventuele obstakels eromheen, het grondeffect, luchttemperatuur, hoogte van het vliegveld, het weer, de aanwezigheid van verkeersleiding, het grondzicht, de aanwezige avionica.

Zijwindlanding[bewerken]

NATO Boeing E-3A, AWACS crosswind landing

Factoren zoals zijwind maken dat piloten op een aangepaste manier moeten landen; dit wordt een zijwindlanding, krablanding of sliplanding genoemd. Bij deze landingen komt het vliegtuig schuin aanvliegen ten opzichte van de landingsbaan met de neus in de wind om of op het laatste moment de neus recht te trekken, of schuin: 'slippend' te landen en daarna het toestel recht te trekken.


Landing op een vliegdekschip[bewerken]

Een F/A-18 Hornet grijpt met zijn haak één van de remkabels op een vliegdekschip

Om te landen op een vliegdekschip zijn de vliegtuigen uitgerust met haken aan de staart van het toestel. Daarmee wordt één van de meestal 4 kabels gegrepen die over het dek gespannen zijn. Deze zijn verbonden met hydraulische pompen die ervoor zorgen dat het vliegtuig binnen de 100 m wordt afgeremd tot stilstand. Om de landing te vergemakkelijken vaart het schip tegen de wind in en landen de toestellen met de vaarrichting mee om de relatieve snelheid van het vliegtuig t.o.v. het schip zo laag mogelijk te maken, en om zo min mogelijk last te hebben van zijwind. Om weer te kunnen opstijgen, mocht de landingshaak gemist worden, wordt er geland met de motoren op volle kracht.


Afbreken van de landing[bewerken]

Als een landing niet lukt, kan de piloot/gezagvoerder besluiten een doorstart (Engels: go-around) uit te voeren. Het toestel stijgt opnieuw op om na een rondvlucht op dezelfde landingsbaan te landen of eventueel uit te wijken naar een ander vliegveld.

Zie ook[bewerken]