Knobbelzwaan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Knobbelzwaan
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Cygnus olor 2 (Marek Szczepanek).jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Anseriformes (Eendvogels)
Familie: Anatidae (Eendachtigen)
Geslacht: Cygnus (Zwanen)
Soort
Cygnus olor
(Gmelin, 1789)
Afbeeldingen Knobbelzwaan op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Knobbelzwaan op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels
Film van een groep knobbelzwanen

De knobbelzwaan (Cygnus olor) is een vertrouwde verschijning in plantsoenen en op meren. Hij leeft voornamelijk van waterplanten waar hij met zijn lange hals naar grondelt, maar hij eet ook gras.

Kenmerken[bewerken]

Deze vogels kunnen een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en zijn daarmee de grootste watervogels. Zelf zijn ze 140 – 160 cm groot.[2] Met hun lange nek kunnen ze ver onder water reiken. Ze kunnen tot 10 - 12 kg wegen. Daarmee behoren ze ook tot de zwaarste vliegende dieren. Ze zijn even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. Ze zijn wit en ze hebben een oranjerode snavel. Hun kop en hals hebben een licht gele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, zijn zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook hun poten zijn zwart. Hun ruglijn is sterk gebogen. Ze houden hun hals bijna altijd in een sierlijke S-vorm. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels (26). Ze houden hun kop altijd iets omlaag gebogen. Hun snavel is relatief breed. Mannetje en vrouwtje zijn volledig gelijk, alleen hebben de mannetjes in de lente een veel meer gezwollen knobbel en hun snavel is dan ook veel roder. Mannetjes hebben ook een zwaardere nek.

Geluid[bewerken]

Ze maken gorgelende en blazende geluiden, al zijn die niet vaak te horen. In vlucht maken hun vleugels een laag, zingend geluid, dat wordt gemaakt door de wind die er langs strijkt. Als je hen stoort op hun nest, sissen of knorren ze woedend. Onvolwassen vogels maken een zwak, fluitend geluid. Contactroep is een zelden gehoord meeuwachtig ga-oh.

Voedsel[bewerken]

Stel zwanen eet waterplanten.

Hun voedsel bestaat uit waterplanten. Ze grazen ook op weiden. Ze duiken nooit zo ver dat ze volledig onder water zijn. Ze hebben een brede snavel om de waterplanten gemakkelijk af te kunnen trekken. Om die reden hebben ze ook zo’n lange hals, die ze gemakkelijk kunnen buigen. Soms zijn alleen hun staart en hun achterpoten te zien, als ze op hun kop staan en met hun poten trappelen om de diepste planten op te vissen.

Vlieg- en zwemgedrag[bewerken]

Om op te kunnen stijgen gebruikt de zwaan het wateroppervlak van een plas of sloot. Het opstijgen is een explosie van activiteit en vergt de zwaan veel energie. Net als de albatros rent de zwaan met zijn korte poten zo snel als hij kan over het wateroppervlak, terwijl hij zeer snel met zijn vleugels slaat. Naarmate de vleugels meer lift krijgen, komt de vogel hoger uit het water. Hij rent nog steeds, waarbij de poten met zwemvliezen duidelijk wervelingen in het water achterlaten, tot ze ten slotte alle contact met het water verliezen. De zwaan brengt zijn poten onder zijn staartveren, zoals een vliegtuig zijn landingsgestel intrekt en verheft zich tenslotte in de lucht. Ze vliegen in één lijn, de lange halzen vooruitgestrekt en met krachtige vleugelslagen. Als ze eenmaal in de lucht zijn, maken hun vleugels een duidelijk, laag zingend geluid. De knobbelzwaan is zo groot dat hij niet in staat is langzaam te vliegen, zonder uit evenwicht te raken en te vallen. Een zwaan landt vrijwel nooit op het droge, maar komt neer op een leeg wateroppervlak. Bij het landen heeft een zwaan nog steeds een grote snelheid, om af te remmen strekt een zwaan zijn poten naar voren en spreidt de staart, zodat de snelheid van de zwaan vermindert. Wanneer de zwaan vrijwel stil staat, vouwt een zwaan zijn vleugels op, schudt ze uit en vervolgt met gekromde nek en iets opgeheven staart zwemmend zijn weg. Bij het zwemmen leggen zwanen af en toe de poten op hun rug. Op het land vertonen zwanen een lompe, waggelende gang.

Galerij[bewerken]

Zwanen en de mens[bewerken]

Vanwege hun statige en ornamentele status spelen knobbelzwanen een grote rol in de mythologie van vele volkeren. Bij de Germanen werden hen voorspellende gaven toegekend. Ook omwille van hun uiterlijk worden ze al sinds de middeleeuwen als sierwatervogel exclusief in park- en kasteelvijvers gehouden, waarbij het zwanenrecht gold. Al sinds de 14e eeuw bezat de stad Brugge een zwanenfokkerij in Meetkerke. Wandelaars geven hen in het park vaak grote hoeveelheden brood, wat tot een aanzienlijke watervervuiling (door te veel algen) kan leiden.

Territoria[bewerken]

Ze beschermen hun territorium, dat heel groot kan zijn, zo goed als ze kunnen. Zeker als ze aan het broeden zijn, wordt het nest agressief verdedigd. Hun dreighouding is imposant, ze buigen hun hals naar achteren en bollen hun vleugels om uiteindelijk met een flinke ‘boeggolf’ naar hun indringer te zwemmen. Ze zijn agressief tegenover alle soorten watervogels, wat negatieve gevolgen kan hebben voor de kleinere soorten. Buiten het broedseizoen vormen ze echter af en toe wel groepen met de kleine en de wilde zwaan. In natuurterreinen wordt de komst van een paartje knobbelzwanen niet onverdeeld gunstig onthaald. Waterplanten worden vaak overmatig begrazen en bij de verdediging van jongen en territorium leggen de zwanen een grote agressiviteit aan de dag. Meer op prijs gestelde soorten zoals de dodaars kunnen zich dan ook genoodzaakt zien rustiger plekjes op te zoeken.

Nest en jongen[bewerken]

Ze nestelen op de grond, dicht bij de waterrand van moerasgebieden en weinig stromende waters, bij estuaria en in steden. Hun nest is een groot bouwsel van plantenmateriaal: riet en waterplanten, met een holte in het midden. Het wijfje broedt tot 38 dagen op de 5 tot 8 ovale eieren van ongeveer 11 cm. In het begin van de broedtijd zijn de eieren nog mat en grijsgroen, maar na een paar weken worden ze glanzend en bruinig. Het wijfje sist luid naar alles wat te dicht in de buurt komt. Als haar waarschuwingen in de wind worden geslagen valt ze aan. Haar sterke snavel en vleugels zijn geduchte wapens. Vooral in de broedtijd kan het mannetje behoorlijk agressief zijn territorium verdedigen, ook tegen mensen die te dicht bij het nest komen.

De jongen blijven een heel jaar lang bij hun ouders, maar ze verlaten al wel spoedig het nest en kunnen na 4 – 5 maanden vliegen. Voor vogels is dat heel erg lang. De ouders dragen hun jongen, zoals bij futen, af en toe op de rug. Wanneer ze het verenkleed van een volwassen zwaan krijgen, verjagen de ouders hun jongen. Volgroeide jonge vogels hebben eerst een lichtbruin kleed, nog bruiner dan de jongen van de wilde zwaan, dat, naarmate ze ouder worden, witter wordt. Ze missen de knobbel en hun snavel en poten zijn nog donkergrijs. Later worden die rozegrijs en vervolgens krijgt hij de oranjerode kleur van de volwassen snavel. In het derde jaar zijn de vogels echt volwassen. Daarna vormen de jonge vogels af en toe grote groepen. Donsjongen zijn grijs of wit. Ze worden door beide ouders verzorgd.

Broedpartners blijven dikwijls hun hele volwassen leven bij elkaar.

Knobbelzwanen hebben per jaar maar 1 broedsel.

Galerij[bewerken]

Verspreiding[bewerken]

Knobbelzwaan in de Vanhankaupunginlahti nabij de Finse hoofdstad Helsinki

In West-Europa is de knobbelzwaan de talrijkst voorkomende zwaan, al is dat nog niet zo lang, want tot voor enkele decennia waren ze heel zeldzaam. 's Winters groepen ze samen langs beschutte zeekusten, riviermondingen en op meren. In echt strenge winters zijn ze heel talrijk. Noordoostelijke populaties trekken van november tot april naar het zuiden en het westen. In de zomer komt tegenwoordig een toenemend aantal broedgevallen voor. Na de broedtijd leven ze vaak in grote groepen. In de meeste gebieden van Noordelijk Europa (Z-Scandinavië, Denemarken, O.-Pruisen) tot oostelijk Azië, over de Donaulanden, Zuidoost-Europa en Midden- en Zuid-Rusland leven halftamme parkvogels en hun verwilderde nakomelingen. Het is een wijd verspreide broedvogel nabij stilstaande of langzaam stromende voedselrijke binnenwateren en parken.

De knobbelzwaan kwam oorspronkelijk in het noorden van Centraal-Europa, het zuiden van Scandinavië en het gebied rond de Zwarte Zee voor. Verder naar het oosten was hij tot in Noord-China te vinden. Zijn verspreidingsgebied is echter aanzienlijk uitgebreid doordat de mens hem op verschillende plaatsen heeft uitgezet. Zelfs in Zuid-Afrika heeft hij een tijdlang geleefd maar is daar inmiddels weer uitgestorven. Broedgevallen binnen onze grenzen betreffen vooral verwilderde exemplaren. In Nederland kan een aantal als écht wild worden beschouwd. Het onderscheid tussen (half)tamme en wilde exemplaren is echter heel erg moeilijk te maken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Knobbelzwaan op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. Charlotte Uhlenbroek (2008) - Animal Life, Tirion Uitgevers BV, Baarn. ISBN 978-90-5210-774-5