Lijst van personen die zich doodgelachen hebben

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Er is een klein aantal gevallen bekend van mensen die zich doodgelachen hebben. In een deel van de gevallen was het lachen waarschijnlijk een bijverschijnsel, en was de werkelijke doodsoorzaak anders. Behalve de mensen uit deze lijst zijn er ook bepaalde vormen van astma waarbij hard lachen een aanval kan oproepen, waardoor men kan overlijden.

In de werkelijkheid[bewerken]

Der Tod des Dichters Pietro Aretino, door Anselm Feuerbach, 1854
  • 5e eeuw v.Chr. - Zeuxis, Grieks schilder. Lachte zich dood na het schilderen van een oude vrouw.
  • 207 v.Chr. - Chrysippus, Grieks filosoof. Zou zich volgens een legende hebben doodgelachen nadat hij zijn ezel wijn liet drinken en zag hoe het dier vervolgens een vijg probeerde te eten.
  • 1556, Pietro Aretino zou zijn gestorven aan verstikking door te veel te lachen.[1]
  • 1599 - Nandabayin, Birmees koning. Zou volgens de legende overleden zijn nadat een Venetiaanse reiziger vertelde dat er in Venetië geen koning was.
  • 1975 - Alex Mitchell, Engels metselaar. Lachte 25 minuten non-stop tijdens een aflevering van The Goodies, waarna hij overleed. Zijn weduwe, die getuige was van deze manier van overlijden, stuurde later een brief om de makers van The Goodies te bedanken dat ze de laatste minuten van haar man zo plezierig hadden gemaakt.
  • 1989 - Ole Bentzen, een Deens audioloog, moest zo lachen om de film A Fish Called Wanda dat hij stierf aan een hartaanval. Zijn hart zou tijdens het lachen tussen de 250 en 500 slagen per minuut gemaakt hebben (72 slagen per minuut is normaal).
  • 2003 - Damnoen Saen-um, een Thaise ijscoman. Lachte gedurende twee minuten in zijn slaap en overleed daarna. Zijn vrouw probeerde hem tijdens het lachen tevergeefs te wekken. Volgens medici ging het mogelijk om een hartaanval.

In fictie[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Waterfield, Gordon, ed. First Footsteps in East Africa, (New York: Praeger Publishers, 1966) pg. 59 footnote.