Rijksstad Metz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Metz was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorende rijksstad binnen het Heilige Roomse Rijk.

De Romeinen bouwden het castellum Mediomatriker, later Mettis, en vervolgens Metz. Vermoedelijk in de vierde eeuw werd het de zetel van een bisdom. Onder de Karolingen werd het de begraafplaats van de dynastie. Karel de Grote heeft overwogen Metz tot zijn hoofdstad te maken, maar dat werd uiteindelijk Aken. In 869 werd Karel de Kale in Metz gekroond.

In de volgende jaren werd de stad deel van het prinsbisdom Metz, maar vanaf de twaalfde eeuw probeerde de stad zich los te maken van het prinsbisdom. Bisschop Bertram (1180-1212) herstelde het bisschoppelijke gezag over de stad. In 1215 greep keizer Frederik II ten gunste van de bisschop, maar de stad werd toch steeds machtiger.

In 1224 vond de "guerre des amis" plaats, waardoor de invloed van de bisschop verdween en er een bewind van patriciërs ontstond. Het gebied van de rijksstad was zeer omvangrijk en bevatte 130 dorpen. De naburige vorstendommen probeerden regelmatig de stad binnen hun invloedssfeer te krijgen. Zo was er van 1324 tot 1326 een coalitie actief van het keurvorstendom Trier, her hertogdom Lotharingen, het graafschap Bar en het graafschap Luxemburg.

In 1552 droegen de protestantse rijksvorsten het rijksvicariaat over de rijkssteden Metz, Toul en Verdun wederrechtelijk over aan de koning van Frankrijk. Frankrijk bezette daarop de drie steden en maakte vervolgens van de drie prinsbisdommen een protectoraat. In paragraaf 70 van de Vrede van Münster van 1648 stond de keizer de drie bisdommen en de drie rijkssteden definitief aan Frankrijk af.