Stelling van Heine-Borel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de wiskundige analyse, maar ook in de topologie van de metrische ruimten geeft de stelling van Heine-Borel, genoemd naar Eduard Heine en Émile Borel, een verband aan tussen compacte verzamelingen en de eigenschap van bepaalde verzamelingen om gesloten en begrensd te zijn

Voor een deelverzameling S van de Euclidische ruimte \mathbb{R}^p zijn de onderstaande twee uitspraken equivalent:

In de context van de reële analyse, wordt de eerste eigenschap soms gebruikt als een definiërende eigenschap van compactheid. De twee definities houden echter op equivalent te zijn als we deelverzamelingen van meer algemene metrische ruimten beschouwen in het meer algemene geval wordt alleen de laatste eigenschap gebruikt om compactheid te definiëren. In feite luidt de stelling van Heine-Borel voor willekeurige metrische ruimten als volgt:

Een deelverzameling van de metrische ruimte is dan en slechts dan compact als deze deelverzameling compleet en totaal begrensd is.

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van wat nu de 'stelling van Heine-Borel' wordt genoemd begint in de 19e eeuw, met het zoeken naar een solide fundament voor de reële analyse. Centraal in de stelling was het concept van uniforme continuïteit en de stelling beweert dat elke continue functie op een gesloten interval uniform continu is. Johann Dirichlet was de eerste die dit bewees. Impliciet gebruikte hij in zijn bewijs het bestaan van een eindige deeloverdekking van een gegeven open overdekking van een gesloten interval'. Hij gebruikte dit bewijs in zijn colleges uit 1862, die pas in 1904 werden gepubliceerd. Later gebruikten Eduard Heine, Karl Weierstrass en Salvatore Pincherle soortgelijke technieken. Émile Borel was in 1895 de eerste die wat nu de stelling van Heine-Borel wordt genoemd exact formuleerde en ook bewees. Zijn formulering beperkte zich tot aftelbare verzamelingen. Henri Lebesgue (1898) en Schoenflies (1900) veralgemeenden dit resulataat naar willekeurige overdekkingen.

Te bewijzen[bewerken]

Beschouw \mathbb{R}^p met de gewone metriek. Stel E\sube \mathbb{R}^p. Dan is E compact als en slechts als E gesloten en begrensd is.

Bewijs[bewerken]

Het bewijs bestaat logischerwijs uit twee delen: eerst nemen we aan dat E compact is, en bewijzen we dat E dan gesloten en begrensd is. Vervolgens bewijzen we de stelling in de andere richting.

Stel dus eerst dat E compact is. We gaan aannemen dat E niet begrensd zou zijn, om zo tot een tegenspraak te komen. Bekijk nu de familie F gedefinieerd door

F = \{B(0,r) | r > 0\}.

Dan is F een open deeloverdekking van E. De unie van eindig veel elementen uit F is van de vorm

B(0,r) met r > 0.

Precies omdat E niet begrensd is kan F dus geen eindige deeloverdekking hebben.

Anderzijds, stel

E\sube \mathbb{R}^p

en E niet gesloten. Dan bestaat er een

 a \in E^c

zodat elke open bol rond a punten met E gemeen heeft. Definieer nu een familie F door

 F = \{ \overline {B(a,\delta)}^c| \delta > 0\}.

De unie van alle elementen uit F is duidelijk gelijk aan

\mathbb{R}^p \setminus \{a\}

en E is daar een deel van omdat

 a \in E^c .

De unie van eindig veel elementen uit F is van de vorm

\overline {B(a,\delta)}^c

voor een zekere \delta > 0. Als nu

E \sube B(a,\delta)^c dan geldt dat
E \cap B(a,\delta) = \emptyset,

en dat is onmogelijk! Immers, bij veronderstelling dat elke open bol, dus zeker ook elke gesloten bol, punten gemeen heeft met E. Er bestaat dus geen eindige deeloverdekking.

Het is nuttig op te merken dat dit deel van de stelling in een willekeurige metrische ruimte geldt.

Stel nu dat E gesloten en begrensd is. Stel dat F een open overdekking van E is. Onderstel dan dat eindig veel elementen van F nooit voldoende zijn om E te overdekken. We proberen nu om te komen tot een tegenspraak. Merk dat E zeker niet leeg is!


Omdat E begrensd is, bestaat er een p-dimensionale gesloten kubus K_0 die E volledig omvat. Noteer met d de lengte van de ribbe van deze kubus. Verdeel de kubus dan in 2^p gelijke gesloten kubussen met ribbe \tfrac{d}{2} door elke ribbe precies in twee te verdelen. De doorsnede van E met elk van deze kleinere kubussen is dan telkens een gesloten deelverzameling van E. Minstens één van de niet-lege delen van E kan niet overdekt worden door eindig veel elementen van F. Stel dat E_1 zo een deel is, noteer dan de bijbehorende kubus met K_1.


Als we deze procedure herhalen, dan bekomen we een rij \left(E_n\right) van niet-lege gesloten verzamelingen zodat E = E_0 en zo dat E_{n+1} \sube E_n voor elke n. Bovendien krijgen we ook een rij \left(K_n\right) van gesloten kubussen zo dat E_n \sube K_n voor elke n en zo dat elke K_n een ribbe heeft met lengte \tfrac{d}{2^n}. We hebben dan de eigenschap dat geen enkele verzameling E_n overdekt kan worden door eindig veel elementen uit F.


Kies nu voor elke n een element x_n \in E_n. Stel

n_0 \in \mathbb{N}.

Als

n,m > n_0,

dan geldt dat

x_n \in E_n \sube E_{n_0} \sube K_{n_0}

en analoog dat

x_m \in K_{n_0}.

Er volgt dan dat

\| x_n - x_m\|^2 \geq p\left({d}/{2^{n_0}}\right)^2.

De rij

\left(x_n\right)

is dus een cauchyrij in

\mathbb{R}^p

We weten ook dat

\mathbb{R}^p

volledig is, dus is

\left(x_n\right)

met een limiet x.

Kies n_0 \in \mathbb{N}. Voor alle

n_0 \geq n

geldt dan dat

x_n \in E_{n_0}.

Omdat

E_{n_0}

gesloten is volgt dat

x \in E_{n_0}.

Omdat

x \in E

bestaat er een A \in F zodat x \in F. Omdat A open is, bestaat er dan een

\delta > 0 zodat B(x,\delta) \sube A .

Kies dan n zo dat

\tfrac{d\sqrt{p}}{2^n} < \delta.

Omdat

x \in E_n

vinden we dat

E \sube B(x,\delta)

en dus geldt dat

E_n \sube A

wat zou betekenen dat E_n overdekt wordt door één element van F. Dit is de tegenspraak waarmee het bewijs vervolledigd wordt.