Test (geneeskunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met behulp van een test wordt in de geneeskunde onderzocht, of een persoon wel of niet een bepaalde ziekte heeft. Wijst de test uit dat die persoon daadwerkelijk die ziekte heeft, dan is de uitslag van de test positief. Heeft hij niet die ziekte, dan is de uitslag negatief.

Tests in de geneeskunde geven nooit 100% zekerheid. Is de test binair (antwoord 'ja' of 'nee'), dan is de uitslag eenduidig positief of negatief. De meeste tests zijn echter niet binair maar geven een antwoord op een glijdende schaal, bijvoorbeeld een concentratie van een stof in het bloed. Een dergelijke test kan binair worden gemaakt door een drempelwaarde te kiezen waarboven of waaronder men de test positief noemt.

Wil men van een bepaalde populatie weten welke individuen een bepaalde ziekte hebben (bijvoorbeeld omdat het een risicogroep betreft), dan kan men overgaan tot een screening van die populatie op die ziekte.

Veel medische tests worden uitgevoerd in medische laboratoriums, zoals allergie-testen en bloedtesten.

Sommige medische tests dienen niet om een ziekte op te sporen, maar om de huidige toestand van de testpersoon te meten. Bijvoorbeeld om het verloop van een reeds bekende ziekte te bepalen (verbeterd, verslechterd of genezen) of de belastbaarheid van het lichaam te meten (zoals bij een sportkeuring, een geschiktheidskeuring voor een bepaald beroep of een rijvaardigheidstest voor een bepaalde risicogroep).

Sensitiviteit en specificiteit[bewerken]

Iedere test heeft een bepaalde sensitiviteit en specificiteit. Met sensitiviteit wordt de kans op een positieve uitslag bij aanwezigheid van de ziekte bedoeld, met specificiteit de kans dat de test negatief is bij afwezigheid van de ziekte. De keuze van een drempelwaarde zal sensitiviteit en specificiteit echter beïnvloeden.

Goede tests zijn niet alleen gevoelig (sensitief), maar ook specifiek; een voorbeeld is de zwangerschapstest die op beide punten rond de 99% scoort. Een slechte test is bijvoorbeeld de reumatest die op beide punten op omstreeks 70% blijft steken. De kans dat een patiënt met een positieve uitslag ook reuma heeft is bij een kleine a priorikans ook ná zo'n test nog steeds erg klein (zie het voorbeeld bij het artikel theorema van Bayes). Ook de serologische test op een infectie met de bacterie Borrelia burgdorferi, verwekker van de ziekte van Lyme, heeft een lage sensitiviteit en specificiteit.

Fout-positief en fout-negatief[bewerken]

Is de sensitiviteit van een test te laag, dan is er een grote kans dat de test aangeeft dat de proefpersoon de ziekte niet heeft, terwijl dat in werkelijkheid wel het geval is. De uitslag is dan fout-negatief.

Is daarentegen de specificiteit te laag, dan is de kans groot dat de test aangeeft dat de proefpersoon de ziekte wel heeft, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. De uitslag van de test is dan fout-positief.

Zie ook[bewerken]