Tsjeljoeskin (schip, 1933)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Tsjeljoeskin (schip))
Ga naar: navigatie, zoeken
Sovjet vlag
Tsjeljoeskin (schip, 1933)
Tsjeljoeskin
Tsjeljoeskin
Geschiedenis
Werf Burmeister & Wain, Kopenhagen
Tewaterlating 11 maart 1933
In de vaart genomen 6 mei 1933
Status gezonken op 13 februari 1934
Algemene kenmerken
Deplacement 7.500 ton
Lengte 94,5 meter
Breedte 16,5 meter
Voortstuwing en vermogen 2.400 pk
Snelheid 12,5 knopen
Type vrachtschip
Opmerkingen Het schip was geen ijsbreker, maar had wel een versterkte romp
Portaal  Portaalicoon   Maritiem
De redders van de Tsjeljoeskin en de eerste Helden van de Sovjet-Unie. Van linksonder naar rechtsboven: V. Molokov, M. Slepnjov, M. Vodopjanov, N. Kamanin, S. Levanevsky, A. Ljapidevski, I. Doronin

De Tsjeljoeskin (Russisch: Челюскин) was een Sovjet-Russisch stoomschip dat van 1933 tot 1934 een expeditie ondernam in de Noordelijke IJszee (Arctische Oceaan) voor het onderzoek naar de Noordoostelijke Doorvaart. Het schip raakte daarbij bekneld in het pakijs en zonk na een ongecontroleerde verplaatsing. De redding van de bemanning van het schip werd in de Sovjet-Unie gebruikt als propagandamiddel en leidde tot de titel en onderscheiding "Held van de Sovjet-Unie".

Het schip liep in 1933 onder de naam Lena van stapel in Denemarken. Het was gebouwd door de scheepswerf en machinefabriek Burmeister & Wain in Kopenhagen en na de overdracht aan de Sovjet-Unie vernoemd naar de Russische poolonderzoeker Semjon Tsjeljoeskin. Het schip was echter geen ijsbreker.

Expeditie naar de Noordelijke IJszee[bewerken]

De bedoeling was om een tocht over de Noordelijke IJszee naar het Russische Verre Oosten zonder overwintering in de korte zomermaanden te voltooien. Hierin was tot dan toe alleen de ijsbreker Aleksandr Sibirjakov geslaagd in 1932. De reis moest bewijzen dat een tocht met groter hoeveelheden vracht ook mogelijk was over de Noordelijke Zeeroute zonder gebruik te maken van ijsbrekers.

Onder kapitein Vladimir Voronin en expeditieleider Otto Schmidt vertrok het stoomschip met 112 personen aan boord (Tsjeljoeskintsy genoemd) op 16 juli 1933 vanuit Leningrad voor de reis naar het oosten. Al tijdens het eerste gedeelte ontstonden de eerste problemen. Zo kon het stoomschip de haven van de stad Moermansk pas na 20 dagen vertraging verlaten op 10 augustus 1933. Het einddoel van de reis was de stad Vladivostok. Aan boord was ook de van oorsprong Duitse marconist Ernst Krenkel. Onder de 112 bemanningsleden en passagiers waren ook 10 vrouwen en een kind. Een vrouw was bovendien zwanger en toen het schip zich op de Karazee bevond beviel ze van een meisje, dat Karina werd gedoopt, naar de Karazee.

Uiteindelijk belandde het schip via de Laptevzee en Oost-Siberische Zee in de Tsjoektsjenzee. Tussentijds verlieten 8 personen het schip en werden aan land gebracht. Op 4 november bereikte het schip de Beringstraat. De open zee was hier minder dan een nautische mijl breed en uiteindelijk raakte het schip omsloten door het pakijs en kon zich niet meer op eigen kracht bevrijden. De kapitein van de ijsbreker Litke was in de buurt en bood tot tweemaal toe aan om te helpen, maar Voronin en Schmidt weigerden dit. Zij wilden de reis voltooien zonder hulp. Het schip werd echter ondertussen met het pakijs meegestuwd terug naar het noorden en werd uiteindelijk gekraakt en zonk na een maandenlange tocht over meer dan 1000 nautische mijlen op 13 februari 1934 in de zuidelijke Tsjoektsjenzee.

Het zinkende schip

Expeditielid Boris Mogilevitsj werd hierbij gedood doordat hij werd bedolven onder vallende tonnen, maar de rest van de 104 zeelieden en passagiers wisten zich in veiligheid te brengen op een ijsschots. Daar werd door de schipbreukelingen het -later zo genoemde- Kamp Schmidt opgericht. Op de ijsschots werd naast een aantal onderkomens ook een vliegtuiglandingsbaan aangelegd. Met behulp van de radiozender werd contact gelegd met de buitenwereld en melding gemaakt van het zinken van het schip. Hulp leek eerst onmogelijk door de extreme weersomstandigheden. De Verenigde Staten boden hulp aan, maar Stalin weigerde dit.[1] Na een maand werden de schipbreukelingen opgespoord door piloot Anatoli Ljapidevski. Op 5 maart 1934 bracht hij allereerst de 10 vrouwen en 2 kinderen naar het plaatsje Oeëlen op het Tsjoektsjenschiereiland. In de dagen tot 13 april werden vervolgens de overige Tsjeljoeskintsy opgehaald. De schipbreukelingen vlogen vervolgens via Vladivostok naar Moskou, waar ze als helden werden ontvangen.

Nageschiedenis[bewerken]

De redders van de Tsjeljoeskinopvarenden waren de eersten die uit handen van het centraal uitvoerend comité de titel "Held van de Sovjet-Unie" ontvingen. Dit waren de piloten Vasili Molokov, Mavriki Slepnjov, Michail Vodopjanov, Nikolaj Kamanin, Sigizmund Levanevsky, Anatoli Ljapidevski en Ivan Doronin. Levanevsky zou later van Los Angeles naar Moskou vliegen, maar bij een poging om vanuit Moskou via de noordpool naar de Verenigde Staten te vliegen, stortte hij neer en kwam om het leven. Kamanin werd later hoofd van het kosmonautenopleidingscentrum in Sterrenstad en Vodopjanov was de eerste die landde met een vliegtuig op de Noordpool in 1937.

In 1974, 1978 en in 2004 zochten expedities tevergeefs naar het wrak van de Tsjeljoeskin, dat op ongeveer 50 meter diepte voor de Siberische kust moet liggen. Op 21 september 2006 maakte Josef Rabinovitsj van het Wetenschappelijk reisagentschap van de Russische Academie van Wetenschappen bekend dat een expeditie het wrak had gevonden in de zuidelijke Tsjoektsjenzee. Diverse geborgen fragmenten van het schip waren voldoende overtuigend voor een positieve identificatie. Toch werden foto's van de fragmenten en enkele metalen monsters naar Kopenhagen gestuurd voor nadere identificatie door experts van de opvolgers van de bouwwerf.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. In de westerse media dook het verhaal op dat dit waarschijnlijk was omdat het gezonken goelagtransportschip de Dzjoerma, pas daarvoor bij het eiland Wrangel was vastgevroren in het ijs, waarna de 12.000 gevangenen aan boord waren gestorven van de honger en de kou en over boord waren gezet. Dat schip zou nog steeds in de buurt liggen van de Tsjeljoeskin. Uit onderzoek is echter gebleken dat de Dzjoerma, die in 1921 in de haven van Rotterdam als de Brielle van stapel liep, pas in 1935 aan de Sovjet-Unie werd verkocht en maximaal slechts 5000 tot 6000 gevangenen kon bevatten. Als alternatieve reden wordt soms gegeven dat de Sovjet-Unie de hulp van de Verenigde Staten niet nodig had, omdat zij op dat moment zelf over goede vliegtuigen beschikte. Waarschijnlijker is dat Stalin liever geen pottenkijkers had in dit gebied, omdat zich in de buurt ervan de goudwinning bevond van de Dalstroj, waar honderdduizenden Goelagdwangarbeiders werkten.