Verklaring van Parijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Verklaring van Parijs of Verklaring houdende zekere bepalingen van het zeerecht in tijd van oorlog werd getekend door Pruisen, Rusland, het Ottomaanse Rijk, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Sardinië in Parijs op 16 april 1856 nadat met de Vrede van Parijs de Krimoorlog beëindigd was. Met deze verklaring werd de kaapvaart tijdens een onderlinge oorlog verboden. In een oorlog

De verklaring, een initiatief van Alexandre Colonna-Walewski, bevestigde de modus vivendi van 1854 tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk tijdens de Krimoorlog waarbij zij afspraken geen neutrale goederen op vijandelijke schepen en vijandelijke goederen op neutrale schepen in beslag te nemen. Tijdens de Krimoorlog werden geen kaperbrieven uitgegeven. Daar werd de bepaling aan toegevoegd dat blokkades, om bindend te zijn, ook effectief moeten zijn.

De vier bepalingen uit de verklaring waren:

  1. De kaapvaart is en blijft afgeschaft;
  2. De onzijdige vlag dekt de vijandelijke lading, met uitzondering van oorlogscontrabande;
  3. De onzijdige lading mag, met uitzondering van oorlogscontrabande, onder vijandelijke vlag niet in beslag genomen worden;
  4. De blokkade moet, om rechtsverbindend te zijn, effectief wezen; dat wil zeggen: door een voldoende macht gehandhaafd, om de nadering van het vijandelijke kustgebied inderdaad te beletten.

Andere landen werden uitgenodigd de verklaring ook te tekenen en tegen het einde van de eeuw hadden zo'n dertig van de belangrijkste maritieme landen de verklaring geratificeerd. De Verenigde Staten ontbraken hierbij, omdat hun verzoek de verklaring uit te breiden met hun Marcy Amendement onder druk van het Verenigd Koninkrijk niet werd ingewilligd. Dit amendement voorzag in een algemeen verbod op inbeslagname van particuliere eigendommen, afgezien van smokkelwaar. Zij hadden gezien hun lange kustlijn en kleine marine ook een belang om in geval van oorlog koopvaardijschepen te vorderen. Andere maritieme landen die de verklaring niet tekenden waren Mexico, Spanje en Venezuela. Desondanks gaf de Verenigde Staten zowel bij de Amerikaanse Burgeroorlog en de Spaans-Amerikaanse Oorlog aan zich te houden aan de verklaring. Ook Spanje gaf dit in de laatste oorlog aan. Beide landen maakten wel gebruik van hulpkruisers, bewapende koopvaardijschepen. De Zuidelijke Staten maakten tijdens de burgeroorlog wel gebruik van kaperschepen.

Er waren al eerdere pogingen geweest om kaapvaart te verbieden. Al in 1785 sloten de Verenigde Staten en Pruisen een vriendschapsverdrag waarin dit werd opgenomen. Vanaf 1792 probeerde Frankrijk zonder succes dit op te nemen in verdragen met andere landen. Ook de poging van de Verenigde Staten in 1823 om met Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Rusland tot een dergelijk verbod te komen mislukte.

Tijdens de Vredesconferentie van Den Haag van 1907 werden een aantal onduidelijkheden verhelderd.