Vliegniveau
De term vliegniveau (Engels: Flight Level, afgekort FL) geeft de hoogte aan waarop een vliegtuig zich voortbeweegt, naartoe klimt of daalt, met referentie tot een denkbeeldig isobarisch grondvlak met standaard druk van 1013,2 hectopascal, de druk van de Internationale Standaard Atmosfeer. Rekenend vanaf dit vlak met hoogte 0 worden de standaard vliegniveaus uitgedrukt per 100 voet. Dus FL010 betekent 1000 voet boven het standaard isobarisch referentievlak, FL100 is 10.000 voet, FL460 is 46.000 voet en FL195 is 19.500 voet.
Omdat het isobarisch vlak meestal niet met de reële hoogte van het terrein overeenkomt, verkiest men in het lagere luchtruim over te schakelen op een vlieghoogte die wordt uitgedrukt met referentie tot de barometerdruk op zeeniveau.
[bewerken] Standaard vliegniveau
Vliegtuigen krijgen in de luchtvaart altijd een standaard vliegniveau (Engels: Standard Flight Level) toegewezen, zodat zij in normale vlucht steeds ongeveer 1000 voet (300 m) in hoogte van elkaar gescheiden zijn, zo is er voldoende separatie tussen twee vliegtuigen.
Er is een algemene regel voor toe te wijzen vlieghoogten : het Semicircular System.
- Eastbound - Magnetische koers 000 tot 179° - oneven duizendtallen (FL 250, 270, etc.)
- Westbound - Magnetische koers 180 tot 359° - even duizendtallen (FL 260, 280, etc.)
De verkeersleiding zal er daarom op toezien dat vliegtuigen -indien zij op een aanvaringskoers zitten- hetzij middels klim- of daalinstructies aan de gezagvoerder tijdig in hoogte worden gescheiden, hetzij door middel van navigatie-instructies met behulp van de radarbeelden op minimale afstand (3 tot 5 zeemijl) elkaar passeren binnen gecontroleerd luchtruim.
[bewerken] Militaire toepassing
In de militaire luchtvaartcommunicatie met de gevechtsleiding wordt een variant op het begrip vliegniveau gebruikt: angels. Met angels wordt de vlieghoogte in duizenden voeten bedoeld. Voorbeeld: Angels 12 betekent een vlieghoogte van 12.000 voet.
[bewerken] Schommelingen
Als gevolg van schommelingen in de atmosferische druk beweegt het hele systeem van standaard vliegniveaus dat op het vaste isobarisch vlak van 1013,2 hPA steunt mee op en neer, en vliegen dus ook alle toestellen samen hoger of lager. Als de druk op het land stijgt, dan gaan ook de vliegniveaus letterlijk de hoogte in, terwijl ze mee dalen met verlaagde luchtdruk.
Bij extreme waarden van hoge of lage luchtdruk kan dit tot zeer grote verschillen leiden. Daardoor ontstonden nog al eens problemen bij het overschakelen door de piloot van het ene systeem op het andere. Om dat op te lossen heeft men in de luchtvaart een vaste 'overgangshoogte' (Engels: Transition Altitude) ingesteld, die boven het hoogste terrein of obstakel in een gebied (vaak één heel land) ligt. Dit is in Europa meestal tussen de 3000 tot 8000 voet, in de hele VS is dit overal 18000 voet. De piloot van een klimmend toestel schakelt op vliegniveau over bij de overgangshoogte.
Voor het dalende verkeer is er dan een 'overgangsniveau' (Eng: Transition Level) welke bepaalt wat het laagst bruikbare vliegniveau daarboven is. Op dit niveau schakelt de piloot van een dalend toestel over van de standaarddruk (1013 hpa) op vlieghoogte (QNH). Om zeker te zijn dat er minstens een reële 1000 voet separatie tussen die twee bestaat wordt een meettabel gebruikt waarmee een 'overgangslaag' (Engels: Transition Layer) wordt gekozen die dik genoeg is. Deze overgangslaag is dus de reële ruimte tussen het overgangsniveau en de overgangshoogte.