Weerradar
Een weerradar of buienradar is een rondzoekradar ten behoeve van het detecteren en waarnemen van neerslag in en buiten de bewolking.
Inhoud |
Kenmerken [bewerken]
De radarantenne in het weerstation zendt een pulsvormig radiosignaal uit dat voor een deel door neerslag wordt weerkaatst. Uit de richting van de antenne en uit de tijd die verloopt tussen het uitzenden van de puls en de ontvangst van de echo's volgt de positie van neerslaggebieden. Op een beeldscherm worden die gebieden met ontvangen radarenergie getoond met een landkaart als achtergrond. Lagere en hogere intensiteiten in teruggekaatste energie (lichte en zwaardere neerslag) worden onderscheiden door verschillende kleuren te gebruiken.
De weerradar werkt volgens hetzelfde principe als een radar. Echter door een juiste keuze van de frequentie en de pulsvorm van de uitgezonden puls worden de reflecties door regendruppels (wolken) van de weerkaatste zendenergie maximaal zodat de neerslaggebieden gedetecteerd kunnen worden.
Een serie radarbeelden met tussenpozen van een paar minuten laat bijvoorbeeld zien of de buien zwaarder worden en hoe ze zich verplaatsen. De bewegende radarbeelden zijn vaak te zien tijdens de weerpresentaties op de televisie. Deze informatie wordt gebruikt om een indicatie te krijgen voor het neerslagpatroon in de komende paar uren. Zo kan men soms tot op enkele minuten nauwkeurig aangeven wanneer het ergens gaat regenen of wanneer de regen ophoudt.
De radarantenne zit vaak in een bolvormige behuizing (radome) om de apparatuur vooral tegen weersinvloeden van buitenaf te beschermen. Op de toren van het KNMI in De Bilt is de radome vanaf grote afstand duidelijk zichtbaar. Dergelijke grondradars werken met een vaste hoek. Mobiele buienradars in de neus van een vliegtuigen hebben een gyroscoop om de bewegingen van het vliegtuig te compenseren. De piloot kan de radar ook richten op hoge of lage bewolking.
Interpretatie [bewerken]
Hoe mooi de apparatuur ook is, de beelden van de weerradar tonen helaas niet altijd de zuivere werkelijkheid. Er zitten daarom nogal wat haken en ogen aan de interpretatie van radarbeelden. Het meest belangrijke is de kromming van de aarde die invloed heeft op het bereik van de radar(golven). De radargolven planten zich namelijk rechtlijnig voort, terwijl het aardoppervlak licht gebogen is. De radargolven schieten op deze wijze steeds hoger de bewolking in naarmate ze zich verder van de antenne af bevinden. De meeste neerslag bevindt zich echter beneden de 5 km hoogte zodat radargolven daarboven weinig neerslagelementen kunnen detecteren. De radar ziet dus niets terwijl het op die plek best flink kan regenen. Het theoretische bereik van de radar is zo'n 300 km rondom het radarstation. In de praktijk houdt het bij zo'n 180 à 200 km rondom wel op.
Lichte neerslag als lichte motregen en lichte (mot)sneeuw wordt ook niet altijd even goed door de radar opgemerkt. Het kan dus een beetje miezeren terwijl het radarbeeld op die plaats helemaal geen echo's toont. De oorzaak ligt in de diameter van de druppeltjes of vlokjes. Is deze te klein dan herkent de radar dit niet als neerslag.
Afscherming is een tweede factor die zich vooral voordoet bij neerslagzones waarin aanhoudende matige tot zware neerslag voorkomt. Wanneer de radargolven eerst door het zwaarste deel van het neerslaggebied gaan, zal er veel gereflecteerd worden en weinig energie overblijven waardoor het deel van de neerslag daarachter niet meer juist afgetast kan worden. Op het radarbeeld wordt dan ten onrechte een gebied met zwakkere echo's achter de zwaardere echo's getoond en kan zelfs het verkeerde idee geven dat het neerslaggebied ophoudt (valse achterkant).
Weerradar van het KNMI [bewerken]
Het gebruik van weerradar kwam in de tweede helft van de twintigste eeuw tot ontwikkeling. Het KNMI kreeg in 1959 zijn eerste weerradar op de luchthaven Schiphol, in 1962 gevolgd door De Bilt. In de jaren tachtig werden dat digitale radars en sinds 1989 verloopt de waarneming automatisch. Radarbeelden op PC worden nu (2004) gebruikt door diverse instanties op het gebied van luchtvaart, scheepvaart, recreatie, landbouw, verkeerspolitie en waterstaat. De Nederlandse radargegevens worden sinds 1990 opgenomen in een Europees radarbeeld.
In 1996 en 1997 zijn nieuwe radars geïnstalleerd op een gebouw van de Koninklijke Marine in Den Helder en op de toren van het KNMI in De Bilt. Dit moderne radarsysteem maakt gebruik van het dopplereffect. De dopplerradar heeft het voordeel dat ook windsnelheden in buien kunnen worden gemeten, een toepassing die sinds 2004 operationeel is. Deze gegevens maken het mogelijk om beter te waarschuwen voor zware buien met windstoten. Het in 2004 in gebruik genomen radarnetwerk met antennes in Den Helder - als vervanging van Schiphol - en in De Bilt biedt een optimale dekking van Nederland: de radars brengen heel Nederland en het zuiden van de Noordzee in beeld. Voordat dopplerradar in gebruik genomen werd, werden windmetingen alleen met ballonnen, op weerstations en satellieten uitgevoerd.
Sinds enkele jaren kan men in Nederland elke 5 minuten een radarbeeld bekijken. Op internet zijn de actuele radarbeelden te bekijken (zie externe links), soms pas wanneer je een abonnement hebt afgesloten.
Externe links [bewerken]
Locaties radarstations [bewerken]
Actuele radarbeelden [bewerken]
Bronnen, noten en/of referenties
|