Witgezichtsaki

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Witgezichtsaki
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Pithecia pithecia.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Pitheciidae (Sakiachtigen)
Geslacht: Pithecia (Saki's)
Soort
Pithecia pithecia
(Linnaeus, 1766)
Verspreidingsgebied van de witgezichtsaki
Verspreidingsgebied van de witgezichtsaki
Afbeeldingen Witgezichtsaki op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Witgezichtsaki op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De witgezichtsaki (Pithecia pithecia) is een apensoort die voorkomt in het noorden van Zuid-Amerika. Het dier behoort tot de familie van de sakiachtigen (Pitheciidae). Er zijn twee erkende ondersoorten: Pithecia pithecia pithecia en Pithecia pithecia chrysocephala.

Uiterlijk[bewerken]

De witgezichtsaki is vernoemd naar de witte gezichten die de mannetjes hebben, hoewel het meer crèmekleurig is dan wit. De rest van het lichaam van de mannetjes is zwart of bruin. De vrouwtjes zijn zwart of bruin en hebben een witte streep die loopt van onder de ogen tot de kin.[2]

Witgezichtsaki's hebben een dikke waterdichte pels die hen beschermt tegen de vele regenbuien die in hun leefgebied voorkomen. Hun staart is ook lang en dik om hun evenwicht te bewaren. Zonder staart zijn ze ongeveer zo groot als een dwergkonijn. Met staart zijn ze ongeveer een kleine meter. De jongen lijken vlak na de geboorte altijd op een miniatuurvrouwtje. Pas na twee maanden krijgen de mannetjesjongen hun wittige tronie.[2]

Leefgebied en levenswijze[bewerken]

De witgezichtsaki komt voor in de tropische regenwouden van Brazilië, Frans-Guyana, Guyana, Suriname en Venezuela.[3] Ze leven tussen 210 en 750 meter hoogte, alwaar ze als acrobaten zo'n tien meter ver kunnen springen. Dit heeft hen de bijnaam vliegende aap opgeleverd.[2] Omdat ze zo hoog in de bomen leven, zijn roofvogels hun enige vijanden. Het is een stil, schuw en rustig dagdier dat zelden zijn stem laat horen. Alleen tijdens de bronsttijd of bij gevaar willen ze zich nog wel geluid geven.

Witgezichtsaki's leven in familieverband en in vrij kleine groepjes. Ze worden tussen de veertien en twintig jaar oud. In het wild leven ze vooral van fruit, maar ook van noten, zaden en bladeren. Insecten (hoofdzakelijk mieren) lusten ze ook graag. Daarnaast houden ze van honing en kleine zoogdieren. Met hun sterke snij- en hoektanden vermalen ze taaiere planten en openen ze noten.

Vrouwtjes zijn met twee jaar geslachtsrijp, de mannetjes na drie jaar. De draagtijd is ruim een half jaar. Een vrouwtje baart vrijwel altijd maar één jong. Zes maanden na de geboorte is het jong volgroeid, maar nog lang niet geslachtsrijp. De moeder is niet de enige die haar jong permanent draagt. De vader ontfermt zich er net zo goed over en als hij niet kan, wordt de zorg verdeeld onder eventuele broers en zussen.[2]

Bedreigde status?[bewerken]

Er zijn nooit enorm veel witgezichtsaki's geweest, maar de dieren leven verspreid over een groot oppervlak, vooral in een aantal beschermde gebieden. Er is daarom geen enkel bewijs dat de soort bedreigd wordt.[3] Anderzijds kan men stellen dat het vanwege de houtkap en illegale apenhandel niet onaannemelijk is dat ze eigenlijk al een bedreigde diersoort vormen. Vanwege de schuwheid van de witgezichtsaki is de populatie moeilijk te controleren, zodat het ook niet duidelijk is hoeveel aapjes er leven.[2] De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN echter als "Veilig"[1]. Voor de zekerheid hebben diverse dierentuinen een fokprogramma voor deze aapjes opgesteld. Nederlandse dierentuinen waar het aapje leeft zijn Apenheul, Kerkrade, Wissel, Artis, Aqua Zoo Friesland en Dierenpark Emmen.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b (en) Witgezichtsaki op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. a b c d e ZodiacAnimals: Witgezichtsaki, info verkregen op 25 november 2006.
  3. a b Rylands et al (2003): IUCN Red List of Threatened Species, Pithecia pithecia, info verkregen op 25 november 2006.