Albertus Seba

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Albertus Seba in 1731, gravure door Arnold Houbraken. In de pot die hij in zijn hand houdt, zit een salamander op sterk water

Albertus Seba (2 mei 1665 - 3 mei 1736) was een Nederlandse apotheker, zoöloog, auteur, verzamelaar en eigenaar van een Naturaliënkabinet.

Biografie[bewerken]

Haarlemmerstraat 110 met twee eenhoorns (?) in de gevel

Seba werd geboren in Etzel, Oost-Friesland als zoon van een boer. In de dorpsschool viel hij op en kreeg bijlessen Latijn. In 1684 ging Seba in de leer bij een apotheker in Sande. Vervolgens trok hij naar Groningen en werkte achtereenvolgens in Amsterdam, Neurenberg en Straatsburg. In 1697 deed hij zijn meesterproef in Amsterdam. Hij trouwde het jaar daarop met Anna Lopes en het echtpaar kreeg twee kinderen. Hij kocht in 1700 op een executieveiling 2/3 van een huis op de Haarlemmerstraat voorbij de Buiten Brouwerstraat; in 1706 kocht het resterende deel [1] en leidde er 19 leerlingen op. Naast zijn bezigheden als apotheker in het pand met de Eenhoorn in de gevel, was hij groothandelaar in geneesmiddelen.

Seba was populair bij zeelieden en chirurgijns. Hij vroeg hen om voorwerpen mee te brengen die hij kon gebruiken of hem interesseerden. Ook als er een schip aanlegde in de Nieuwe Waal ging Seba als eerste kijken of er iets voor hem bij zat. Exotische planten en dierlijke producten waren de basis voor zijn recepten. Zo kwam Seba aan zijn verzameling van vogels, slangen, hagedissen, insecten en schelpen. In 1711 werd hij hofleverancier voor Peter de Grote en Seba werd schatrijk, toen hij in 1716, na een lange correspondentie, zijn verzameling dieren op sterk water, insecten en diversen aan de tsaar verkocht voor 15.000 gulden. De collectie, 17 kisten, kwam drie maanden later aan. Tsaar Peter kocht in 1717 ook de hele collectie van de anatoom en botanicus Frederik Ruysch. Seba hielp bij het inpakken, Ruysch weigerde iedere medewerking. Seba wist op slinkse wijze de kisten door de douane te loodsen. Deze beide collecties waren bedoeld voor zijn Kunstkamera.

De Kunstkamera was aanvankelijk ondergebracht in zijn zomerpaleis, in de zomertuin in Sint-Petersburg, maar al spoedig kwam er een geschikt stadspaleis vrij, waarvan de eigenaar geëxecuteerd was. In 1728 was de bouw van de Kunstkamera in Sint-Petersburg gereed en verhuisde de collectie, naar het eerste als museum gebouwde museum ter wereld. Later werden Seba's dieren ondergebracht in een nieuw opgericht Zoölogisch museum, vlak naast de Kunstkamera.

In 1728 werd Seba lid van Royal Society. Hij begon met een nieuwe collectie en met het voorbereiden van een publicatie. Petrus van Musschenbroek en Hieronimus David Gaubius hielpen hem bij het catalogiseren. Hij publiceerde in 1734 in het Latijn de eerste twee delen van een catalogus met gravures van zijn verzameling.[2] Linnaeus bezocht het kabinet in 1735 op twee opeenvolgende dagen. Albertus Seba had problemen met zijn nieren. Hij ligt begraven in de Westerkerk. In 1752 is zijn collectie geveild en verspreid geraakt. De laatste twee delen van de catalogus verschenen postuum (1759 en 1765). Het deel over vissen is voorbereid door Peter Artedi, die in 1735 na een etentje bij Seba in de gracht viel en verdronk.

Appendix[bewerken]

Referentie

  1. Transportakten Stadsarchief Amsterdam.[1]
  2. Seba, A. (Amsterdam, 1734), Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio et iconibus artificiosissimis expressio per universam physices historiam tomus 1.

Bron

Driessen-Van het Reve, J. J. (2006) De Kunstkamera van Peter de Grote. De Hollandse inbreng, gereconstrueerd uit brieven van Albert Seba en Johann Daniel Schumacher uit de jaren 1711-1752.

Externe links[bewerken]