Artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Demonstratie van homostudenten tegen artikel 248bis op 21 januari 1969 op het Binnenhof in den Haag

Artikel 248bis van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht is in 1911 als onderdeel van de Zedelijkheidswet ingevoerd en in 1971 vervallen. Het luidde:

Aanhalingsteken openen

De meerderjarige, die met een minderjarige van hetzelfde geslacht wiens minderjarigheid hij kent of redelijkerwijs moet vermoeden, ontucht pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar.

Aanhalingsteken sluiten

De toenmalige grens voor meerderjarigheid was 21 jaar, terwijl de minimumleeftijd voor heteroseksuele contacten 16 jaar was en is.

Doel van deze wetgeving was volgens de toenmalige Nederlandse minister van Justitie E.R.H. Regout het beschermen van jongens en meisjes van 16 t/m 20 jaar tegen homoseksuele verleiding, en daarmee de verspreiding van homoseksualiteit tegen te gaan.

Een consequentie was dat een jong vriendenpaar tijdelijk geen seks met elkaar mocht hebben tussen het moment dat de oudste 21 werd en het moment dat de jongste deze leeftijd bereikte (althans, als deze seks als ontucht werd gezien). Een ander gevolg was dat de politie gemakkelijk ook bijeenkomsten van volwassen homoseksuelen kon verbieden, met als reden dat die konden leiden tot strafbare verleiding van minderjarigen.

Om te strijden tegen art. 248bis werd al in 1912 door jhr.dr. Jacob Schorer het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) opgericht. Het NWHK werd opgeheven toen in 1940 de Duitsers binnenvielen. Na de oorlog zette de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC de strijd voor afschaffing van art. 248bis voort.

Op 21 januari 1969 werd er een grote demonstratie gehouden tegen artikel 248bis. Deze demonstratie (de eerste demonstratie voor homorechten in Nederland) was georganiseerd door de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit en Stichting Ruimte.

Een door de Gezondheidsraad ingestelde commissie kwam eenstemmig tot de conclusie dat er geen bezwaren van medisch-hygiënische en psychosociale aard bestonden tegen een laten vervallen van het artikel en dat er integendeel vele voordelen van een vervallen van dit artikel aanwijsbaar waren.

Ten aanzien van het mogelijke nut van het artikel als "stok achter de deur" stelt de minister:

Aanhalingsteken openen

Het laten voortbestaan van een strafbepaling, niet met de bedoeling om inbreuken daarop ook stelselmatig te vervolgen, maar alleen om daarvan in sommige -- niet in de wet omschreven -- gevallen eventueel gebruik te maken, is onverenigbaar met de eisen van striktheid. bepaaldheid en bescherming tegen willekeur die aan de strafwet en haar toepassing zijn te stellen, dus met elementaire beginselen van strafrecht.

Aanhalingsteken sluiten

In 1971 werd het artikel geschrapt (Kamerstuk 10347).[1] In totaal zijn ongeveer 5000 homoseksuelen vervolgd op basis van dit artikel. Sinds 1971 is er in de zedenwetgeving geen onderscheid meer tussen heteroseksuele en homoseksuele handelingen.

Gerelateerde onderwerpen[bewerken]