Binnenlandse Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Binnenlandse Oorlog
Datum 1986 – 1992
Locatie Oost-Suriname
Resultaat Overgave Junglecommando na herstel democratie
Strijdende partijen
Nationaal Leger Junglecommando
Commandanten en leiders
Desi Bouterse Ronnie Brunswijk
Verliezen
87 soldaten 60 junglecommando's
200 burgers (39 te Moiwana)

De Binnenlandse Oorlog was een burgeroorlog in Suriname, die tussen 1986 en 1992 werd uitgevochten.

Achtergrond en verloop[bewerken]

De oorlog werd gevoerd tussen de toenmalige legerleider Desi Bouterse en zijn voormalige lijfwacht Ronnie Brunswijk, die van oorsprong een Marron (bosneger) is. De oorlog draaide om de macht over Oost-Suriname en de controle over de handel in cocaïne. De oorlog had zware gevolgen voor de Marrons (met name de Aukaners) en het Surinaamse binnenland; dorpen werden platgegooid, wegen (waaronder een groot deel van de oostelijke Oost-Westverbinding), waterpijpleidingen en elektriciteitsverbindingen en scholen, overheidsgebouwen, poliklinieken en bedrijven werden vernield. De periode van de meeste gevechten vond plaats tussen 1986 en 1989. In maart 1991 werd de vrede getekend in Kourou onder leiding van Romeo van Russel en in mei 1992 tekenden Brunswijks guerrillaleger en de door Bouterse gesteunde Angulagroep, Mandelagroep, Kofimakagroep en Tucajana Amazones (onder leiding van Thomas Sabajo) de vrede met de Surinaamse regering, die werd bekrachtigd door president Venetiaan op 8 augustus 1992.

Tijdens de oorlog nam het Surinaamse Nationaal Leger van Bouterse het op tegen het uit enkele honderden strijders bestaande guerrillaleger van Brunswijk, het Junglecommando genoemd. Wanneer de mannen van Brunswijk het Surinaamse leger ergens schade toebrachten, werd hiervoor vaak wraak genomen op de burgerbevolking in het gebied. Andersom nam Brunswijk soms wraak op dorpen die Bouterse steunden.

Oorlogsmisdaden[bewerken]

Monument in Moiwana om de slachting te herdenken

Een van de grootste oorlogsmisdaden vond plaats op 29 november 1986 in het dorpje Moiwana. Troepen van Bouterse zochten naar rebellenleider Ronnie Brunswijk in Moiwana en toen hij niet gevonden werd vermoordden zij ten minste 39 onschuldige burgers (met name vrouwen en kinderen). Ook werden huizen (waaronder dat van Brunswijk) in brand gestoken. Voor de erkenning van de misdaad werd jarenlang gevochten door het mensenrechtenbureau Moiwana'86.

Andere misdaden door troepen van Bouterse vonden onder andere plaats in de kustplaats Albina (december 1986), in Pokigron (op 11 september 1987) en Apoera (1990)

In het bijzonder de gebeurtenissen rond Pokigron zijn echter in raadselen gehuld. Naast het incident op 11 september 1987 wordt ook melding gemaakt van het platbranden van het dorp door junglecommando's op 23 april 1989 (De Vries 2005, p. 82) en er is in januari 1988 een zaak aanhangig gemaakt bij de Mensenrechtencommissie van Midden-Amerikaanse Staten over een incident op 31 december 1987 bij Atjoni (nabij Pokigron) waarbij zeven burgers de dood vonden. Deze commissie oordeelde op 15 mei 1990 dat in dit geval inderdaad de mensenrechten waren geschonden, en droeg de Surinaamse regering dringend op een onderzoek te starten en de nabestaanden te compenseren.

De verantwoordelijken voor de oorlogsmisdaden die plaatsvonden zijn tot op heden ongestraft gebleven.

Vluchtelingen en doden[bewerken]

De oorlog zorgde voor een grote vluchtgolf van Surinamers. In het binnenland sloegen ten minste 25.000 mensen op de vlucht; een derde tot de helft van de bevolking. Velen van hen kwamen terecht in Frans-Guyana (vooral Paramacaners en Ndyuka) en een deel in de sloppenwijken van Paramaribo (vooral Saramaccaners), in Nederland of de Verenigde Staten.[1] In Frans-Guyana wonen nog steeds veel ex-vluchtelingen, onder andere in het dorp Saint-Laurent-du-Maroni aan de andere zijde van de Marowijne. De economische situatie van de Marrons is sindsdien slecht gebleven.

Over de slachtoffers van de oorlog zijn geen officiële gegevens bekend. Bouterse sprak ooit van 87 gesneuvelde soldaten en ongeveer 60 junglecommando's zouden zijn gedood. Onder de bevolking vielen ongeveer 200 doden.

Nederlandse interventie[bewerken]

In 2010 werd bekend dat de Nederlandse regering op aandringen van Pretaap Radhakishun en twee andere Surinaamse regeringsleden in oktober 1986 overwoog om Bouterse af te zetten. Dit had moeten gebeuren met behulp van 850 mariniers en 16 helikopters, die onder andere de luchthaven Zanderij moesten bezetten en in Paramaribo zouden worden gedropt. De operatie zou worden gesteund door marineschepen, vliegtuigen en helikopters uit de Verenigde Staten. In 2007 was nog beweerd dat de operatie alleen tot doel had de Nederlanders te evacueren (vergelijkbaar met de Belgische operatie Rode en Zwarte Draak in Congo), maar in 2010 bleek dat de operatie ook als doel had Bouterse te arresteren en vervolgens nog een maand in het gebied te blijven totdat de situatie genormaliseerd zou zijn. Een speciale eenheid had tot doel Bouterse te arresteren met behulp van een lijst van schuiladressen van Bouterse verzameld door de Amerikaanse geheime dienst. De plannen werden uiteindelijk in januari 1987 afgeblazen omdat de regering vreesde voor hoge aantallen gewonden en doden onder de burgerbevolking.[2]

Literatuur[bewerken]

  • Vries, E. de, (2005) Suriname na de binnenlandse oorlog, Amsterdam: KIT Publishers, ISBN 9068324993
  • Hoogbergen, W. & D. Kruijt, (2005) De oorlog van de sergeanten : Surinaamse militairen in de politiek, Amsterdam: Bakker, ISBN 9035129989
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Hoogbergen & Kuijt, 2005, p. 270
  2. Frank van Kolfschooten. Nederland wilde Bouterse afzetten met invasie. Volkskrant (20 november 2010)