Bommenwerper

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een bommenwerper is een militair vliegtuig dat is ontworpen om gronddoelen aan te vallen met vliegtuigbommen. Er bestaan verschillende types bommenwerpers.

De eerste bommenwerpers waren kleine toestellen met een klein vliegbereik en een geringe bommenlast. Tijdens de twee wereldoorlogen maakte de ontwikkeling van bommenwerpers grote sprongen. Er ontstonden bommenwerpers die de hele wereld konden rondvliegen met een erg grote bommenlast. In de laatste decennia van de 20e eeuw kwam de nadruk meer te liggen op technologie zoals stealth en slimme wapensystemen.

Types[bewerken | brontekst bewerken]

Geleidelijk ontstonden speciaal voor het bombarderen ontworpen vliegtuigtypes:

Strategische bommenwerpers hebben dikwijls enige vorm van afweergeschut, maar ze zijn niet ontworpen op luchtgevechten met andere vliegtuigen. Ze zijn relatief groot, traag, en slecht manoeuvreerbaar. Zeker op individuele missies zijn ze kwetsbaar voor vijandelijke jachtvliegtuigen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden bommenwerpers zelfs uit de lucht geramd in taran aanvallen. Als vijandelijke luchtaanvallen worden verwacht, moeten ze worden begeleid door jachtvliegtuigen. Door in grote aantallen in formatie te vliegen (tijdens WO II) werden vijandelijke jachtvliegtuigen een doelwit voor het gezamenlijke afweergeschut, waardoor de kwetsbaarheid ook werd verminderd.

Aanvalsvliegtuigen die zijn bewapend voor gronddoelen, zijn kleiner, sneller en wendbaarder dan strategische bommenwerpers, maar minder goed dan straaljagers en ze voeren onvoldoende wapens voor langdurige luchtgevechten, tenzij ze hiervoor speciaal zijn bewapend. Toestellen voor grondaanvallen worden doorgaans gecamoufleerd in de kleuren van vegetatie, terwijl ze lichtblauw of grijs worden geschilderd indien ze worden ingezet voor luchtgevechten op grotere hoogte.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De Duitse Gotha G.V met verschillende formaten van bommen
Een B-24 Liberator tijdens een missie

In 1908 had William Henry Pickering het idee dat men in oorlogstijd explosieven op de vijand zou kunnen werpen, een misvatting genoemd. In 1910 oefende het Amerikaanse leger met het afwerpen van vliegtuigbommen. Het eerste bombardement vanuit een vliegtuig vond plaats in 1911, tijdens een Italiaanse aanval op het Ottomaanse Rijk.[1] En nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begonnen landen als Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Duitsland en Rusland al met de ontwikkeling van gespecialiseerde bommenwerpers. Groot-Brittannië begon hiermee pas in 1914. Tijdens die oorlog werden bommenwerpers voor het eerst grootschalig ingezet.

Eerste Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Aanvankelijk werden alle vliegtuigtypes gebruikt voor bombardementen. Maar al snel kwam er vraag naar vliegtuigen die een grote bommenlast tot boven het vijandige achterland konden vervoeren en in staat waren zichzelf te verdedigen. De eerste echte bommenwerper in de oorlog was de Franse Voisin die aanvankelijk een bommenlast van 60 kg kon vervoeren. Tegen het einde van de oorlog was dat dankzij krachtigere motoren 300 kg geworden. Er werden aparte bommenwerpereskaders gevormd. De eerste viermotorige bommenwerper, de Ilja Moeromets, werd door Igor Sikorsky ontworpen voor het Russische leger. Dit toestel kon tot 1000 kg aan bommen vervoeren en vliegen op een hoogte van 2700 m. Er werd ook ingezet op de vliegduur. Door de Gotha G.V konden de Duitsers Londen bombarderen en de Engelsen voerden met de Handley Page Type O bombardementen uit op Keulen en Ludwigshafen.

Er werden verschillende strategieën ontwikkeld voor het gebruik van bommenwerpers. Dit ging van tactische ondersteuning op het slagveld tot strategische bombardementen op militaire of civiele doelen. Ook zeppelins werden gebruikt om bommen mee te werpen, maar hiertegen werd al snel een effectieve luchtverdediging georganiseerd.

De eerste (kleine) bommen werden met de hand afgeworpen. Maar al snel kwamen er bevestigingssystemen onderaan het vliegtuig en bommenruimen in het vliegtuig. De grootte van de bommen groeide met die van de vliegtuigen.

Interbellum[bewerken | brontekst bewerken]

De ontwikkeling van nieuwe bommenwerpers volgde die van de andere vliegtuigtypes. Eendekkers vervingen tweedekkers en metalen frames vervingen hout en canvas. Ook de vliegtuigmotoren werden steeds krachtiger. Bommenwerpers werden gebruikt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. De Sovjet-Unie leverde bommenwerpers aan de Republikeinen en de Italianen aan generaal Franco. Maar vooral het Duitse Condorlegioen speelde een sleutelrol in Spanje en deed belangrijke gevechtservaring op in bombardementsvluchten.

Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

De Duitse Luftwaffe beschikte bij het begin van de oorlog over verschillende types bommenwerpers. Tijdens de Blitzkrieg werd gebruik gemaakt van luchtbombardementen, zoals op Rotterdam. Nadien volgde de Blitz. Aanvankelijk werden Britse vliegvelden geviseerd, maar al snel werd overgeschakeld op het bombarderen van Britse steden. Het ontbrak Duitsland echter aan strategische bommenwerpers met voldoende bommenlast en vliegbereik.

De Britten en de Amerikanen zetten wel in op gespecialiseerde bommenwerpers voor strategische bombardementen, bijvoorbeeld de Britse Avro Lancaster en de Amerikaanse B-24 Liberator of B-17 Flying Fortress. Deze vliegtuigen speelden een belangrijke rol bij de bombardementen op Duitsland en Japan en de door hen bezette gebieden. De Amerikaanse B-29 was de meest geavanceerde strategische bommenwerper van zijn tijd en het enige toestel dat atoomaanvallen kon uitvoeren.

Koude Oorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de Koude Oorlog ontstond een wapenwedloop tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Dit gold ook voor de ontwikkeling van bommenwerpers. Technologische sprongen van de ene partij, meestal de Verenigde Staten, werden door de andere partij gekopieerd. Het begon met de Russische bommenwerper Toepolev Tu-4, een kopie van de B-29 waarvan de Amerikanen tijdens de oorlog enkele exemplaren hadden bezorgd aan de Sovjet-Unie.

Er werden bommenwerpers met een steeds groter vliegbereik gebouwd. Er werden bommenwerpers gebouwd die in de lucht konden worden bijgetankt. Daarnaast werd gewerkt aan een hogere snelheid en een hoger plafond om aan luchtverdedigingsjagers te ontkomen. Hiervoor werden straalvliegtuigen met pijlvleugels ontwikkeld zoals de Amerikaanse B-47 Stratojet en de Russische tegenhanger Toepolev Tu-16.

In de jaren 1950 stelden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie hun nieuwe intercontinentale bommenwerpers met nucleaire capaciteit voor: respectievelijk de B52-Stratofortress en de Mjasisjtsjev M-4. Groot-Brittannië ontwikkelde de V-bommenwerpers (Vulcan en Victor). In de jaren 1960 leek het of dit type bommenwerpers achterhaald was door de ontwikkeling van intercontinentale langeafstandsraketten. Maar de ontwikkeling van strategische bommenwerpers ging verder met de Amerikaanse Rockwell B-1 en de Russische Toepolev Tu-22M, de eerste strategische bommenwerper met verstelbare vleugels.

Lijst van bommenwerpers[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Bomber aircraft van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.