Bossche School

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De zuidelijke ingang van de San Salvatorkerk in Groningen (2011).
De voormalige Sint-Catharinakerk naar ontwerp van Evers en Sarlemijn in Slotermeer in Amsterdam Nieuw-West.
Foto: bmz.amsterdam.nl

De Bossche School was een traditionalistische stroming in de Nederlandse architectuur die sterk gebaseerd was op getalmatige verhoudingen. De stroming was voortgekomen uit de Delftse School.

De naam van de stroming is ontleend aan de 3-jarige Cursus Kerkelijke Architectuur die in de periode van de Wederopbouw tussen 1946 en 1973 in het Kruithuis te 's-Hertogenbosch werd gegeven. De opleiding was bedoeld om architecten te begeleiden bij het vervangen van de honderden kerken die in de Tweede Wereldoorlog onherstelbaar waren beschadigd of verwoest. De cursus was bedoeld voor architecten die eerder een opleiding op de Academie voor Bouwkunst op de Technische Hogeschool Delft hadden afgerond. Naast een 3-jarige cursus met getuigeschrift, waren er ook algemene studiedagen. De cursus stopte in 1973, maar bijeenkomsten van gelijkgezinde architecten bleven nog jaren doorgaan. Onder andere in het woonhuis van Jan de Jong en het bureau van Nico van der Laan.

Dom Hans van der Laan, zijn broer Nico van der Laan, C. Pouderoyen, en later ook Jan de Jong, waren de docenten. Vanaf 1956 nam de invloed van Hans van der Laan op de cursus toe. De cursus werd een middel voor van der Laan om zijn ideeën over architectuur, en de toepassing van het door hem ontwikkelde Plastisch getal in de praktijk uit te werken. Door de katholieke achtergrond van de docenten en organisatoren, de locatie van de cursus, en het feit dat veel deelnemende architecten uit Brabant afkomstig waren, is het niet verwonderlijk dat de stijl in eerste instantie vooral tot uiting kwam in de katholieke kerkenbouw. In toenemende mate werden er echter ook wereldlijke gebouwen volgens de kenmerken van de Bossche School ontworpen. Alhoewel het hoogtepunt van deze stijl in de jaren 50 en 60 lag, worden er ook nu nog gebouwen ontworpen die in meer of mindere mate geinspireerd zijn op de Bossche school. Voorbeelden hiervan zijn o.a. het Brandepoortbastion in Geertruidenberg en de Drie Amazones in Den Bosch (enkel stijlkenmerken).

Kenmerken[bewerken]

Het belangrijkste kenmerk van de Bossche School is de toepassing van een strict systeem van verhoudingen in hoogte, lengte, en dieptematen, gebaseerd op het zogeheten plastisch getal. Een ander belangrijk concept in de theorie van de Bossche School is de "cella"; de kleinste bewoonbare eenheid binnen een gebouw. De oppervlakte van een cella is direct gerelateerd aan de muurdikte, en kan op diens beurt weer de basis zijn voor het gehele ontwerp. het vloeroppervlak van een cella kan bijvoorbeeld zeven maal de muurdikte zijn, waarna het gebouw zelf weer zeven cellae breed kan zijn.

De kerken waren in eerste instantie vaak driebeukige basilieken, gemodelleerd naar vroeg-christelijke kerken in Italië. De torens herinneren ook vaak aan de campaniles in het noorden van Italië. Van der Laan had het sterke vermoeden dat aan deze gebouwen een soortgelijk systeem van maten ten grondslag lag als zijn eigen Plastisch Getal. Hierdoor werden architecten die de cursus in het Kruithuis hadden gevolgd ook wel demigrerend Basiliekbouwers genoemd. Al snel dwongen de veranderende liturgische opvattingen binnen de Katholieke kerk tot een andere aanpak van de kerkenbouw. Er werden grote hallekerken ontworpen waarbij de kerkvloer werd opgevat als een stadsplein, een ontmoetingsplek voor de gelovigen. De Bossche School was de laatste fase in de traditie van de Nederlandse kerkelijke architectuur. Voor zover er hierna nog katholieke kerken gebouwd werden, gebeurde dat niet meer door gespecialiseerde architecten en werd steeds meer voor een functionele architectuur gekozen.

Kenmerkend is ook de sobere vormgeving van de gebouwen. De Bossche School is een traditionalistische stroming, zodoende wordt er vooral gebruikgemaakt van beton, baksteen en hout. De bouwmaterialen die in Nederland voorhanden zijn.

Vooral bij de niet-kerkelijke architectuur, ontwikkelde zich enkele eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Bossche School (al hoewel ze zelden allemaal tegelijk worden toegepast).

  • Diep geplaatste ramen met duidelijk zichtbare dagkanten om de muurdikte te benadrukken.
  • Voegen tussen bakstenen zijn volledig opgevuld, soms zo vol dat het cement er uit druipt.
  • Het afstrijken van buitenmuren met cementpap.
  • Vloeren van gewassen grind in cement.
  • De horizontaliteit wordt benadrukt door enkele speklagen of door het gebruik van duidelijk zichtbare lateien boven deur en raamopeningen.
  • Platte daken worden afgewerkt met een rij holle en bolle dakpannen langs de dakranden.
  • Spelen met de overgang tussen de binnen en de buitenruimte door een gebouw op te bouwen rond een hof, of innovatief om te gaan met balkons, portieken, en gallerijen.
  • Een focus op de onderlinge samenhang van het geheel en alle onderdelen/ruimtes van een gebouw.
  • De Bouwmaterialen zijn op zo'n manier afgewerkt dat de constructie van een gebouw herkenbaar blijft.

Voorbeelden[bewerken]

Door een teruglopend kerkbezoek zijn inmiddels verschillende kerken verbouwd of bedreigd met sloop, zoals bij Sint-Willibrorduskerk (Almelo) is gebeurd. Door de jonge leeftijd van de gebouwen, zijn ze vaak niet beschermd als gemeentelijk- of rijksmonument.

Architecten[bewerken]

Enkele architecten van de Bossche School waren:

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]