Burn-out

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Burn-out
Coderingen
ICD-10 Z73.0
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Burn-out is de naam van een psychische aandoening waarbij de patiënt emotioneel uitgeput is en weinig kan presteren.

De term burn-out werd begin jaren zeventig voor het eerst gebruikt door de Amerikaanse psychotherapeut Herbert Freudenberger en Christina Maslach. De opvatting van de laatste is inmiddels dominant geworden. Burn-out bestaat in haar opvatting uit drie, min of meer samenhangende verschijnselen: uitputting (extreme vermoeidheid), cynisme (afstand hebben van het werk, dan wel de mensen met wie men werkt), en een lager zelfbeeld van de eigen competenties. Dit zijn ook de drie aspecten die in de sinds 1984 bekende burn-out test Maslach Burnout Inventory (MBI) voorkomen.

Te veel stress op het werk en in de privésituatie zouden oorzaken van burn-out zijn. Een sensitieve persoonlijkheid met bovengemiddeld verantwoordelijkheidsgevoel en de neiging tot perfectionisme zouden risicofactoren zijn.

Verschil met andere aandoeningen[bewerken]

Burn-out is duidelijk verschillend van depressie: burn-out is in eerste instantie een 'energiestoornis', en depressie een 'stemmingsstoornis'. Bij depressie is er per definitie sprake van 'anhedonie', het zich nergens op kunnen verheugen.

Burn-out, overspannenheid en depressie hebben vergelijkbare symptomen, maar andere oorzaken. In de wetenschappelijke literatuur wordt burn-out duidelijk onderscheiden van depressie. Neurobiologisch komt burn-out meer overeen met het chronischevermoeidheidssyndroom dan met depressie; de laatste hangt meer af van de neurotransmitter serotonine. Het standaard handboek voor psychische aandoeningen DSM 5 kent burn-out in tegenstelling tot de ICD-10 niet, hetgeen tot veel misverstanden leidt.

Meting van burn-out[bewerken]

Of mensen aan burn-out lijden wordt vaak vastgesteld met gevalideerde psychologische instrumenten, met name de door Maslach ontwikkelde Maslach Burnout Inventory. Deze bevat ongeveer twintig vragen die betrekking hebben op de drie door haar onderscheiden dimensies van burn-out. Er zijn verschillende versies van dit instrument in omloop: één speciaal voor onderwijsgevenden, één voor "contactuele" beroepen (dat wil zeggen beroepen waarin uitvoerders met mensen werken, bijvoorbeeld de zorg), en één algemene versie (voor alle andere beroepen). Een Nederlandse versie van dit instrument is ontwikkeld door Wilmar B. Schaufeli en Dirk van Dierendonck.

De uit deze vragenlijst resulterende scores worden vergeleken met die van allerlei normgroepen (bestaande uit de scores van mensen die de lijst eerder hebben ingevuld). Op die manier kan worden vastgesteld of de scores van een bepaalde persoon opvallend hoog (of laag) zijn ten opzichte van deze normgroep. Gewoonlijk wordt ervan uitgegaan dat een score in de bovenste 25% (ten opzichte van de normgroep) een mogelijke burn-out indiceert; een score in de bovenste 5% zou indicatief zijn voor een échte burn-out. Wat overigens niet méér betekent dan dat men aangeeft erg moe te zijn, cynisch staat tegenover het werk, en denkt minder goed te presteren dan vroeger.

Naast de Maslach Burnout Inventory zijn diverse andere vragenlijsten in omloop, die gewoonlijk één van de drie door Maslach onderscheiden dimensies in iets andere bewoordingen meten. Het belangrijkste voordeel van deze andere vragenlijsten is dat ze vrij van copyrights zijn te gebruiken; inhoudelijk bieden ze geen meerwaarde.

Statistiek[bewerken]

De volgende cijfers gelden voor Nederland.

Twaalf procent van de huisartsbezoeken heeft te maken met stressklachten (overigens lang niet alleen burn-out). Verder komen 30.000 mensen per jaar door psychische klachten in de WAO, van wie 9000 (30%) als gevolg van stress en overbelasting. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft 10% van de Nederlandse beroepsbevolking last van burn-outverschijnselen. Opmerkelijk is dat vooral huisartsen vatbaar zijn voor burn-out; volgens een artikel in het vaktijdschrift Gedrag & Gezondheid zou zo'n 41% van hen serieuze burn-outverschijnselen vertonen. Overigens lijkt burn-out sinds de economische crisis van 2001 duidelijk minder voor te komen[bron?]. Ook in de not-for-profit sector zijn werkdruk en burn-out afgenomen[bron?]. Omdat burn-out als ziekte niet onderkend is in het DSM komt de diagnose steeds minder voor. De symptomen zijn ondergebracht onder andere begrippen.

Behandeling[bewerken]

Burn-out wordt tegenwoordig succesvol behandeld door middel van kortdurende therapie (twaalf tot vijftien wekelijkse sessies). Tijdens die therapie wordt nagegaan welke factoren hebben bijgedragen aan het ontstaan van een burn-out; bijvoorbeeld het hebben van zogenaamde "disfunctionele gedachten" ("als ik niet hard werk vindt niemand me aardig/competent/krijg ik nooit een promotie/word ik ontslagen") wordt aangepakt. Daarnaast worden risicofactoren op het werk geïnventariseerd (bijvoorbeeld te hard moeten werken, te veel overwerken, moeten werken in een onprettige werksfeer enzovoort) en, waar mogelijk, aangepakt. Bovendien wordt ernaar gestreefd de cliënt zo snel mogelijk weer aan het werk te laten gaan, liefst al tijdens het behandelingsproces. Behandeling door de cliënt een aantal maanden thuis te laten zitten om "weer bij te komen" (wat enkele jaren geleden vaak voorkwam) blijkt in de praktijk uitermate ineffectief en leidde vaak tot volledige arbeidsongeschiktheid (tegenwoordig is burn-out overigens geen grond meer voor arbeidsongeschiktheid). In de praktijk blijkt een burn-out vaak gevolgd te worden door een carrièreomslag; voor veel ex-cliënten blijkt hun burn-out reden te zijn te reflecteren op hetgeen ze écht willen. Vaak is dat iets anders dan de baan die ze voorheen hadden.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]