Naar inhoud springen

Dissociatieve identiteitsstoornis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Esculaap
Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Dissociatieve Identiteitsstoornis
Coderingen
DSM-IV 300.14
ICD-11
6B64
Eerdere versies
ICD-10: F44.81
ICD-9: 300.14
DOID 10934
eMedicine article/916186
MeSH D009105
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Dissociatieve Identiteitsstoornis (DIS) (voorheen beter bekend als meervoudigepersoonlijkheidsstoornis of multipelepersoonlijkheidsstoornis (MPS)) is een dissociatieve stoornis waarbij iemand afwisselend twee (of meer) van elkaar te onderscheiden persoonlijkheidstoestanden kan aannemen. Ten minste twee van deze persoonlijkheden nemen regelmatig het gedrag volledig over. Vaak heeft de patiënt gaten in het geheugen die niet door vergeetachtigheid te verklaren zijn. Vaak weet de oorspronkelijke persoonlijkheid niets van de andere persoonlijkheden (ook wel alters genoemd). De andere persoonlijkheden weten soms wel af van de oorspronkelijke identiteit en van elkaar. De alternatieve persoonlijkheden zijn in die zin volledig, dat ze een eigen karakter en verleden hebben en soms ook andere uiterlijke kenmerken (een ander stem- en taalgebruik). De alters kunnen allemaal een eigen naam hebben, maar het hoeft niet per se. Sommige mensen met DIS hebben geen namen voor hun alters, maar toch zijn het andere persoonlijkheden.

De DSM-IV geeft de volgende criteria voor de dissociatieve identiteitsstoornis:[1][2]

  1. Fragmentatie van de identiteit gekenmerkt door twee of meer afzonderlijke persoonlijkheidstoestanden, wat in sommige culturen als een ervaring van bezetenheid wordt aangemerkt. De fragmentatie van de identiteit omvat een duidelijke discontinuïteit in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole, gepaard gaand met ermee samenhangende veranderingen in affect, gedrag, bewustzijn, geheugen, waarneming, cognitie en/of sensomotorisch functioneren. Deze klachten kunnen door anderen waargenomen zijn of door betrokkene zelf gerapporteerd.
  2. Recidiverende hiaten in het herinneren van alledaagse gebeurtenissen, belangrijke persoonlijke informatie en/of psychotraumatische gebeurtenissen die inconsistent zijn met gewone vergeetachtigheid.
  3. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale en beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
  4. De stoornis maakt geen deel uit van een algemeen geaccepteerd cultureel of religieus gebruik.
  5. De symptomen kunnen niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel of aan een somatische aandoening.

Overige kenmerken

[bewerken | brontekst bewerken]
  1. Geheugenverlies, de persoon is stukken verleden kwijt. Daarnaast kan hij zich dingen die hij net heeft gedaan soms niet meer herinneren.
  2. Depersonalisatie, het gevoel van een afstand naar zichzelf te kijken, buiten zichzelf en als robot te leven, dingen te doen zonder daar een gevoel bij te hebben. Het contact met het eigen lichaam lijkt verbroken.
  3. Derealisatie, oftewel breken met de werkelijkheid, de dingen om je heen beleven alsof deze niet echt gebeuren. Het niet meer herkennen van je omgeving.
  4. Identiteitsstoornis, het horen van stemmen van andere persoonlijkheden en de strijd tussen deze persoonlijkheden.
  5. Identiteitswisselingen, het veranderen van persoonlijkheid en daardoor alleen de dingen herinneren die deze persoonlijkheid heeft meegemaakt, al het andere is weg of naar de achtergrond verdreven.
  6. Mogelijk suïcidale neigingen of automutilatie.

In eerdere klinische omschrijvingen van DSM (II) werd nog gesproken van meervoudige persoonlijkheid. Later is dit gewijzigd omdat men veronderstelde dat het niet zozeer ging om het omschakelen tussen verschillende persoonlijkheden maar het ontbreken van een enkelvoudige identiteit binnen eenzelfde persoon. Daarom wordt in DSM-5 nu gesproken van verschillende identiteiten of persoonlijkheidstoestanden in plaats van persoonlijkheden. Volgens de DSM-definitie kan het geheugenverlies niet verklaard worden als een gevolg van normaal vergeten.[3] De DIS-symptomen kunnen ook niet worden toegeschreven aan gebruik van alcohol of drugs, epileptische aanvallen, of andere medische condities. De diagnose wordt bemoeilijkt door comorbiditeit met andere psychische stoornissen. Simuleren zou ook een oorzaak kunnen zijn, als er sprake is van een mogelijk financieel of forensisch profijt. De diagnose DIS kan met een gestructureerd DSM-5-vraaggesprek worden vastgesteld.[4][5] Ook wordt er soms gebruikgemaakt van een vragenlijst.[6]

Vroegkinderlijk trauma als belangrijkste oorzaak (traumaperspectief)

Volgens de DSM-5 vormen dissociatieve stoornissen (en met name DIS) “vaak de nasleep van een psychotrauma” en affectieve verwaarlozing. Binnen dit perspectief wordt de dissociatieve problematiek begrepen in het kader van het als kind hebben moeten overleven van chronische mishandeling, misbruik en/of verwaarlozing. Dissociëren kan worden beschouwd als een vorm van afweer dat iemand in staat stelt extreme angst of stress te verdragen. Dit gebeurt door het loskoppelen van (aspecten van) de traumatische gebeurtenis en de bijbehorende belevingen waarmee de patiënt aan de traumatische ervaring kan ontsnappen. Bij verdergaande afsplitsing kunnen er ‘gedissocieerde delen van de persoonlijkheid’ ontstaan met een eigen (soms rudimentair) ik-perspectief die, over de tijd heen, continuïteit laten zien in denken, voelen en gedrag en waarbij lacunes in het geheugen verband houden met de (gedeeltelijke) amnestische barrières welke tussen de gedissocieerde delen van de persoonlijkheid kunnen bestaan.

Sociocognitief model

[bewerken | brontekst bewerken]

Het sociocognitieve verklaringsmodel gaat ervan uit dat patiënten gaan geloven dat zij uit meerdere persoonlijkheidstoestanden bestaan onder invloed van media-invloed (o.a. films en boeken) of suggestieve technieken van behandelaars (o.a. herhaald bevraagd worden over “delen” van de persoonlijkheid, het geven van persoonsnamen aan gemoedstoestanden). Of dat deze ontstaan zijn door slaapproblemen en bredere socioculturele verwachtingen, waarin DIS wordt gezien als een geaccepteerde manier om psychische problemen te uiten.

Het sociocognitieve model betwijfelt dat er een directe causale relatie tussen trauma en DIS bestaat. Patiënten die zich aanmelden met klachten waaronder emotionele instabiliteit, identiteitsproblemen, en impulsief gedrag, gaan volgens dit perspectief hun gedrag, gevoelens en cognitieve problemen begrijpen binnen een model van meervoudige identiteiten.

Het meeste tot nu toe verrichte onderzoek is casuïstisch van aard: het beschrijft individuele gevallen en voorbeelden. Er is nog weinig systematisch en gecontroleerd onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre de verschijnselen van DIS toe te schrijven zijn aan twee verschillende identiteiten of personen, of dat het eerder gaat om twee tegenstrijdige kanten of aspecten van dezelfde persoon. Een cruciale vraag daarbij is of er inderdaad sprake is van dissociatieve amnesie: dat men niets weet of zich niets herinnert van wat zich in de andere identiteit of persoonlijkheidstoestand heeft voorgedaan.[7] Deze laatste vraag lijkt eveneens van belang voor de forensische psychiatrie of voor een rechtbank die moet beslissen of een persoon verantwoordelijk moet worden gesteld voor het gepleegde misdrijf, of ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.[8][9]

Recente systematische studies waarbij DIS-patiënten zijn vergeleken met gezonde proefpersonen die DIS simuleerden hebben de volgende resultaten opgeleverd. Patiënten werd daarbij gevraagd om te schakelen tussen twee identiteiten of rollen: de trauma-identiteit en de neutrale of normale identiteit. Ook werden zij daarbij geconfronteerd met nare en neutrale herinneringen. Hetzelfde werd gevraagd aan gezonde proefpersonen die zich in beide identiteiten moesten inleven. Er werd hierin zowel bewijs gevonden voor het bestaan van DIS als bewijs van het tegendeel. In een van deze studies bleken lichamelijke reacties en hersenactiviteit van DIS-patiënten te verschillen tussen beide identiteiten. Bij gezonde simulanten was dit niet het geval. Kennelijk is de toestand van DIS niet uitsluitend aan simulatie, neiging tot fantaseren of een grotere suggestibiliteit toe te schrijven, concluderen de auteurs.[10][11][12]

In een andere recente studie gaven patiënten ondanks hun bewering dat zij zich niets konden herinneren van hun gedissocieerde (traumatische) toestand toch blijk van impliciete (onbewuste) herkenning van informatie uit die toestand. Terwijl zij in hun normale identiteit een cognitieve taak uitvoerden bleken zij namelijk toch afgeleid te worden door woorden die voor hun andere (traumatische) identiteit beladen waren. Kennelijk heeft het geheugen van DIS-patiënten dan toch toegang tot persoonlijke en autobiografische informatie van die traumatische identiteit. Dit hoeft echter niet te betekenen dat deze stoornis niet bestaat, aangezien de werking van het menselijk brein ook op het vlak van het geheugen nog niet volledig is doorgrond.[13][14][15]

Gezien de complexiteit van de problematiek bij een dissociatieve stoornis en de beperkte kennis ten aanzien van DIS en de depersonalisatie-/derealisatiestoornis in de generalistische basis ggz is vrijwel altijd behandeling in de gespecialiseerde ggz (S GGZ) nodig en zijn slechts steunende eerste staps interventies in de generalistische basis ggz mogelijk. De behandeling start met het opstellen van een individueel zorgplan. Via gezamenlijke besluitvorming formuleren de patiënt, indien wenselijk diens naasten en de behandelaar de persoonlijke doelen. Ze maken een keus voor het soort behandeling. Daarbij houden ze rekening met voor- en nadelen en natuurlijk met of de verschillende behandelingen beschikbaar zijn. En ze maken afspraken over vaste evaluatiemomenten en evaluatiecriteria.

Het besluitvormingsproces kan bij een patiënt met een dissociatieve stoornis moeizaam verlopen omdat de ideeën bij de patiënt over doelen en middelen van de behandeling nogal eens kunnen wisselen. Bovendien is het niet altijd van meet af aan duidelijk dat een patiënt een dissociatieve stoornis heeft en kunnen gaandeweg doelen en middelen moeten worden bijgesteld.

Geschiedenis en literatuur

[bewerken | brontekst bewerken]

In de middeleeuwen werden personen met een meervoudige persoonlijkheid vermoedelijk gezien als ‘bezetenen’.[16] In de 19de eeuw werden er volgens Rieber 100 gevallen van meervoudige persoonlijkheid gerapporteerd.[17][18] In 1910 introduceerde Eugen Bleuler de term schizofrenie ter vervanging van de oudere term dementia praecox. Vanaf dat tijdstip was er ook een afname in rapportering van het aantal gevallen van meervoudige persoonlijkheid, vermoedelijk omdat men de meervoudige persoonlijkheid zag als een onderdeel van schizofrenie met symptomen als hallucinaties en wanen.[19][20] Eind 19de eeuw heerste de wijdverbreide opvatting dat emotioneel traumatische ervaringen tot allerlei lichamelijke klachten konden leiden, die conversies werden genoemd. Franz Mesmer en Armand-Marie Jacques de Chastenet, Marques de Puységur, pasten aan het eind van de 18de eeuw hypnose toe; ze meenden dat in deze toestand een andere persoonlijkheid kon worden opgeroepen. Soms traden zij voor een publiek op en toonden daarbij hun spectaculaire gevallen. Gevallen van dissociatie werden in de psychiatrie voor het eerst systematisch beschreven door de Franse psychiaters Jean-Martin Charcot en Pierre Janet. Charcot werd vooral bekend door zijn toepassing van hypnose en behandeling van hysterische patiënten, terwijl zijn leerling Janet de termen dissociatie en onbewuste heeft ingevoerd. Sigmund Freud heeft later hun ideeën over de rol van jeugdtrauma’s en dissociatie verder uitgewerkt in zijn theorie van het onbewuste.

Dr Jekyll en Mr Hyde.

Gevallen van meervoudige of ‘gespleten’ persoonlijkheden hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Dit blijkt uit de populariteit van verhalen van Edgar Allen Poe, Mary Shelley (Frankenstein), Robert Louis Stevenson (Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde) en publieksfilms als The three faces of Eve en Sybil. Deze wekten vooral bij het grote publiek belangstelling op voor gevallen van meervoudige persoonlijkheid.[21][22] Andere voorbeelden van een gespleten persoonlijkheid zijn Gollem in The Lord of the Rings en Harvey Dent, beter bekend als Two-Face, in meerdere verhalen van Batman.

David and Lisa van Frank Perry (1962), met Keir Dullea (David) en Janet Margolin (Lisa / Muriel). In deze film komt DIS aan bod als de twee tegenovergestelde persoonlijkheden Lisa en Muriel in het meisje Lisa Brandt. De ene persoonlijkheid (Lisa) is te vergelijken met een naïef kind van ongeveer 5 jaar dat onnozele bewegingen maakt en onzinnige doch steeds rijmende uitspraken doet, terwijl de andere persoonlijkheid (Muriel) een duister karakter heeft en nooit spreekt, maar alles neerschrijft op grote tekstvellen. De tweede (duistere) persoonlijkheid komt steeds tevoorschijn als de eerste zich bedreigd voelt of in een verbale conflictsituatie terecht komt, zoals met haar begeleider John of met haar medebewoner van het instituut David Clemens.