Gebruiker:Enkidu1947

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

een klein begin[bewerken | brontekst bewerken]

Dit is een begin, ik weet niet waartoe het leiden (of lijden) zal... Zo ben ik nog niet erg handig met de mogelijkheden van wikipedia, zal wel komen op den duur.

wie ben ik[bewerken | brontekst bewerken]

  • de trotse vader van een dochter en een zoon.
  • de trotse grootvader van twee kleinkinders: een prachtig joch met krullen en een nog mooiere meid met dito blond haar en blauwe ogen.
  • het trotse vriendje van een heel lieve meid
  • ooit studeerde ik Wiskunde, toen was ik nog jong en onervaren
  • ooit was ik histologisch analist en werkte met de electronen-microscoop
  • later studeerde ik medicijnen, het doctoraal werd in exact vier jaar behaald, arts, dat werd ik niet.
  • programmeren is heel fijn, ik doe het al dik dertig jaar, en nu nog altijd met enige regelmaat.
Programmeren deed ik in vele soorten Basic, GFA op een Atari-500ST, Fortran, C, C++, HTML, Javascript en nog een aantal andere talen meer. Op vele soorten van computers, CPM, Z80, Z8000, ook dat heb ik meegemaakt.
En nu wordt er nog steeds geprogrammeerd... met een stokoude C-compiler: Quick-C van Microsoft copyright 1987, dat werkt nog onder the good old MSdos. Tja... Maar... dat dient vooral het lettergieten.
Nieuw is voor mij niet altijd "beter".
  • O, ja... ik giet letter, in letter-verband computergestuurd op een Monotype-zetsel-gietmachine.
  • Ik hou van oude techniek en mechanica, daar leef ik me in uit, ik giet, en zet, en druk, en redigeer, en bindt de boekjes in, hand-marmeren zelfs dat, alles doe ik zelf.
  • dat doet er maar een in Nederland, en wie wil, weet nu wie ik ben
  • de rest doet er niet toe, voor dit moment.

hobbies en vaardigheden[bewerken | brontekst bewerken]

die heb ik wel een paar:

  • verzamelen van boeken
    • multatuliana
    • boeken over typografie
    • Monotype-litaratuur
    • boekbinden
    • papiermaken
  • lettergieten
    • Monotype
      • computer gestuurde zetselgietmachine
      • super-caster
    • Ludlow
  • restaureren grafische machines
    • door half europa heen
  • letterzetten
  • drukken
  • boekbinden

projecten[bewerken | brontekst bewerken]

dit is even op de achtergrond, maar dat komt wel weer, er is eigenlijk heel te vinden over Lanston Monotype en de engelse tegenpool The Monotype Corporation limited.
Maar dat kon zo snel geen genade krijgen in de ogen van wat wikipedianen, komt nog wel maar niet alles in een keer
Eigenlijk staat er heel wat onzin op www.nl/wikipedia.org over boekdruk-persen, boekdrukken en letterzetten, of ik daar ooit genoeg tijd voor heb...

mijn eigen zandbak....[bewerken | brontekst bewerken]

Vorstenschool[bewerken | brontekst bewerken]

Het toneelstuk Vorstenschool verscheen in 1873 als begin van IDEEN-IV. Deze uitgave was min of meer het begin van een zeer hartelijke relatie met de voor Multatuli nieuwe uitgever G. L. Funke. Funke was bereid om Dekker te betalen voor de correctie van drukproeven, en zorgde er zo voor dat Dekker het financieel wat breder kreeg.

Vorstenschool trok de aandacht. In dit stuk is de hoofdpersoon een vrouw: een koningin met hoge idealen, die daarbij nog valselijk geschuldigd wordt van ontucht ! Terwijl haar echtgenoot de Koning eigenlijk een pure vlierefluiter en feestvierder is, op jacht gaat, en de staatszaken aan zijn vrouw overlaat. Dit trok de aandacht van Mina Kruseman. Mina was uitstekend ingelezen in Multatuli's IDEEN. Daarom juist wilde Mina zo graag die hoofdrol spelen. Zij correspondeerde met Dekker over het stuk, en door haar bemiddeling was er een beginnend toneelgezelschap in Rotterdam, dat het uiteindelijk aandurfde om het stuk te gaan uitvoeren. Men was erg bang dat een uitvoering opgevat zou worden als majesteitsschennis. Mina was de eerste hoofdrolspeelster in dat stuk, al konden deze twee harde koppen niet altijd door dezelfde deur. Mina voelde namelijk weinig voor een fysieke relatie met Dekker, en ook daarin was zij feministe.

Op Mina's aandringen waren er in 1875 vergevorderde plannen voor een eerste opvoering van het toneelstuk en Dekker was ook betrokken als regisseur/auteur bij de repetities. Een jaar daarvoor in 1874 was in het verre Italië zijn vrouw Tine, van wie hij al zo lang gescheiden leefde, overleden. Op 1 april 1875 hertrouwde hij in Rotterdam met Maria Frederika Cornelia Hamminck Schepel (ook wel bekend als Mimi), mede vanwege de heersende moraal van die dagen. Ongetrouwd samenwonen werd bepaald niet geaccepteerd. In Duitsland ging het stel door voor "gehuwd". Daar kon het paar dus niet naar het stadhuis. Zo werd het toch iets gemakkelijker om samen de eerste voorstellingen bij te wonen.


Die première in Utrecht, evenals de toejuichingen en de huldigingen die ermee gepaard gingen, vormden een absoluut hoogtepunt in zijn schrijversloopbaan. [1]. Later trok Multatuli met het gezelschap mee, op de tournee door Nederland en Vlaanderen. Avond aan avond te worden toegejuicht, was best een opsteker voor een auteur die vanwege zijn andere werk door velen werd aangevallen.


soms in het buitenland[bewerken | brontekst bewerken]

77.253.236.16

is een kernramp in Nederland mogelijk[bewerken | brontekst bewerken]

hier zonder commentaar mijnerzijds zou ik willen verzwijzen naar een artikel uit de Volkskrant van hedenmorgen 26 maart 2011. [2]

tabel[bewerken | brontekst bewerken]

oud plaatsnummer huidige
signatuur
datum titel / beschrijving Volledige werken
Multatuli 753 XLV A 3 1869 Causerieën IV
Multatuli 711 XLV B 725 24 mei 1869 Redactioneel artikel in De Locomotief te Semarang XIII, 500
Multatuli 711 XLV B 726 25 mei 1869 Causerieën I in De Locomotief IV, 103
Multatuli 745 XLV D 410 mei 1869 Causerieën I in De Locomotief (reproductie) IV, 103
Multatuli 746 XLV D 411 juli 1869 Causerieën II in De Locomotief (reproductie) IV, 113
Multatuli 747 XLV D 412 juli 1869 Causerieën III in De Locomotief (reproductie) IV, 123
Multatuli 748 XLV D 414 juli 1869 Causerieën IV in De Locomotief (reproductie) IV, 137
Multatuli 749 XLV D 415 29 juli 1869 Causerieën V (1) in De Locomotief (reproductie) IV, 148
Multatuli 750 XLV D 417 augustus 1869 Causerieën VI in De Locomotief (reproductie) IV, 157
Multatuli 751 XLV D 419 september 1869 Causerieën IX in De Locomotief (reproductie) IV, 190
Multatuli 756 XLV B 730 23 september 1869 Causerieën IX (2) in De Locomotief IV, 190
Multatuli 756 XLV B 731 5, 16, 19 oktober 1869 Causerieën X in De Locomotief IV, 202
Multatuli 756 XLV B 736 19, 21 oktober, 2 november 1869 Causerieën XI in De Locomotief IV, 214
Multatuli 756 XLV B 745 5 december 1869 Causerieën XIV in De Locomotief IV, 247
Multatuli 756 XLV B 749 22 december 1869 Causerieën XVI in De Locomotief IV, 269
Multatuli 756 XLV B 750 24 december 1869 Causerieën XII in De Locomotief IV, 225
Multatuli 754 XLV D 436 31 januari 1870 Causerie XVII in De Locomotief IV, 276
Multatuli 754 XLV D 437 2 februari 1870 Causerie XVII (2) in De Locomotief IV, 276
Multatuli 754 XLV D 438 4 februari 1870 Causerie XVII (3) in De Locomotief IV, 276
Multatuli 755 XLV D 439 15 februari 1870 Causerie XVIII in De Locomotief IV, 297
Multatuli 796 XLV D 462 24 oktober 1870 Bijdrage van Douwes Dekker in De Locomotief XIV, 206

Causerien van Multatuli[bewerken | brontekst bewerken]

De Causerien van Multatuli werden door Multatuli geschreven tussen begin april 1869 en eind december 1869. Ze waren bestemd voor publicatie in de Locomotief, een advertentie en nieuwsblad in Samarang.

Op 24 mei 1869, een maandag, kondigde de redactie de reeks bijdragen aan. De krant zou de jaren daarop ook op dinsdagen en zaterdagen verschijnen, en op die dagen waren de praatjes van Multatuli bedoeld. De dag daarop, dinsdag 25 mei 1869 verscheen de eerste aflevering. In totaal zouden er een 30 tal afleveringen in de krant verschijnen, de laatste op 15 februari 1870.

In totaal schreef Multatuli teksten voor 18 afleveringen. De samenwerking met de krant liet te wensen over, de redactie hield een eigen volgorde aan, kortte diverse afleveringen in, en bracht ook andere wijzigingen in de teksten aan. Vier causerien ontbreken geheel, en een gedeeltelijk.

Van deze teksten wordt er op de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit te Amsterdam ook handschriften bewaard. Met behulp van deze handschriften is het mogelijk de volgorde zoals die door Multatuli was bedoeld te reconstrueren.

Causerie publicatie-data in De Locomotief link krantensite KB den Haag
introductie
redactie
14-05-1869
I 25-05, 29-05-1869
II 22-07-1869
III 10-07, 13-07, 15-07, 20-07-1869 15-07-1869
IV 20-07, 24-07, 27-07-1869 24-07-1869
V 29-07, 03-08-1869
VI 10-08, 12-08, 17-08-1869 17-08-1869
VII niet in Locomotief
VIII niet in Locomotief
IX 21-09, 23-09, 28-09-1869 21-09-1869
X 05-10, 16-10, 19-10-1869
XI 19-10, 21-10, 02-11-1869
XII 24-12-1869: 24-12-1869
XIII niet in locomotief
XIV 05-12, 05-12, 05-12-1869
(deels niet in locomotief)
XV niet in locomotief
XVI 04-11-1869
XVI 22-12-1869 22-12-1869
XVII 31-01, 02-02, 04-02-1870
XVIII 15-02-1870

Het voorwerk van het boek[bewerken | brontekst bewerken]

vermelding titel in 5e druk, 1881, pagina 41
vermelding titel in 5e druk, 1881, pagina 41


vermelding titel in 5e druk, 1881, pagina 22


De Opdracht[bewerken | brontekst bewerken]

Aan E. H. v. W.[3] AAN DE[4]

DIEP VEREERDE GEDACHTENIS[5]
van
EVERDINE HUBERTE BARONNESSE VAN WIJNBERGEN
DER
TROUWE GADE[6]
DER
HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER[7]
DER
EDELE VROUW

,,J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poète, et, sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité n'est de trop. Les plus rare ensemble de mérites n'est que le strict nécessaire, et ne suffit même pas toujours au comme bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, -- recueillir dans ses bras et soigner ce poète que est votre mari, quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche; -- ou bien le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère, . . . . voilà l'ordinaire de l'existence pour une femme de poète. Oui, mais aussi il y a le chapître des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnées à la sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme légitimement aimée; aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde à cet ,,aveugle errant"; --

Car, ne vous-y-trompez pas; presque tous les petits-fils d'Homère sont plus ou moins aveugles à leur façon; -- ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut en plus au fond que les nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie."

Vaak heb ik dichtersvrouwen zich horen beklagen, en ongetwijfeld is het waar dat geen bekwaamheid in het leven groot genoeg is om deze moeilijke positie waardig te kunnen bekleden. Slechts buitengewone eigenschappen zijn onontbeerlijk, en zelfs dat is niet altijd genoeg als het om het gemeenschappelijk geluk gaat. Voortdurend de muze als derde bij uw intiemste gesprekken te moeten aantreffen, en te zien dat zij de dichter, die toch haar echtgenoot is, dat zij hem in haar armen neemt en verzorgt wanneer hij zwaar getroffen vanwege de desillusies van zijn opdracht thuiswaarts keert naar haar, of hem plotseling te zien wegfladderen om na te jagen wat hem voor ogen zweeft. Ziedaar het dagelijks leven van een dichtersvrouw. Ja, maar dan is er nog het uur van de beloning, het moment dat hij de laueren oogst die hij met het zweet van zijn genie heeft verkregen, wanneer hij ze eerbiedig neerlegt aan de voeten van zijn wettige gezellin, die als Antigone in deze wereld haar “dolende blinde” tot gids dient.

-- Want, vergist u zich niet: bijna alle kleinzonen van Homerus zijn enigemate blind op hun manier; -- ze zien wat wij niet zien; hun blikken dringen dieper en verder door dan de onze; maar ze kijken niet vlak voor zich, naar het dagelijks bestaan; ze zouden in staat zijn om over het kleinste kiezelsteentje te struikelen en hun neus te stoten, als zij zonder ondersteuning moesten wandelen door de prozaïsche velden waarin het leven zich afspeelt.
(Henry de Pène) vertaling: G.Wolf

Drie dagen voordat Dekker zijn manuscript in het net klaar had, las hij in een Belgisch tijdschrift: Le Nord. Journal international [8] [9] bovenstaande tekst.

Henri de Pène (1830-1888) was een Franse journalist, hij verzorgde een soort van roddelrubriek over wat er in de theater-wereld te Parijs zich afspeelde. De betreffende aflevering bevatte een opdracht uit een stuk van Jules Lacroix. [10] Deze auteur was door zijn toenemende blindheid niet meer in staat zijn eigen teksten en had daarvoor de hulp van zijn vrouw nodig:

À ma femme.
Ce drame est bien à toi, ce drame que rêvait
Le poëte, perdu dans ces pensers funêbres.
Triste, épargant mes yeux, déjà pleins de ténèbres,
Quand je dictais ces vers, ta main les écrivait,
                        Ce 30 septembre 1959
Esprit, grâce, bonté!... C'est toi:
   La Femme et l'ange!
Béni le ciel qui fit pour moi
   Ce doux mélange!

Daarna kwam het stuk, dat Multatuli had overgenomen. Daarbij liet hij twee zinsneden weg:

  • na: leur petit bonhomme de chemin stond nog: comme on dit vulgairement.
  • na: la vie stond een komma, en: tantôt dans des palais, et tantôt sous le chaume.

In een ietwat pompeus Frans schildert De Pène hier de bovenmenselijke eisen die er aan de wettige echtgenote van een dichter worden gesteld, maar ook hoe groot de beloning voor haar zal zijn. De vrouw van Lacroix, en in haar alle vrouwen van dichters, wordt vergeleken met Antigone uit de tragedie Oedipus te Colonus van Sophocles. Daar is het Antigone, die haar blinde vader door de woestijn leidt tijdens zijn verbanning. Daarboven op komt dan nog de verwijzing naar Homerus, die als de aartsvader van alle dichters werd beschouwd. Ook Homerus zou op latere leeftijd blind zijn geworden en als zanger hebben rondgezworven.

Met deze opdracht zet Multatuli zichzelf neer als romantisch dichter, en impliciet zijn boek als een artistieke creatie. Tegelijkertijd dicht hij -- bij monde van De Pène -- zijn vrouw alle eigenschappen toe, die in het citaat aan een echtgenote van een dichter worden toegeschreven. En passant vergelijkt Dekker zich met de blinde zwerver Oedipus, want ook Dekker was op de vlucht -- voor zijn schuldeisers -- en moest zwerven, verbannen van huis en haard.

Met dit alles speelt dan - net als bij de dubbele titel - voor de lezer wederom de vraag: is dit boek fictie of toch "waar" gebeurd? Met deze dubbel-zinnigheid blijft Dekker spelen door het hele boek heen, tot op het moment dat hij in het laatste hoofdstuk Droogstoppel laat stikken in koffie, Stern wegstuurt, en zich als Multatuli bekend maakt.

Een toneelspel als motto[bewerken | brontekst bewerken]

Als "motto" fungeert een Onuitgegeven toneelspel waarin Lothario - hoewel onschuldig - veroordeeld wordt tot ophanging omdat hij schuldig zou zijn aan eigenwaan. Met dit motto verwees Dekker naar die lieden die hem zullen verwijten zelfingenomen te zijn nu hij zich in de Max Havelaar vrij pleitte van schuld. In een brief meldde Dekker daarover aan Tine: [11]

Let hier goed op: Ik ben een deugniet, een "propre à rien", een dief enz. enz. Op al die dingen antwoord ik in mijn boek. Maar om eene beschuldiging te beantwoorden moet men dikwijls goed van zich zelven spreken bijv: A is beschuldigd van diefstal. Nu bewijst hij dat hij eene zeer eerlijke daad gedaan heeft. Dan zegt men: gij zijt zeer ingenomen met U zelf. Dat is wel de vraag niet maar men zegt het toch. Ik beweer dat ik in mijn boek niets zeg dan de waarheid maar toch zal men dat weêr gebruiken als een pretext om mij toch ongelijk te geven. Ik wapen mij daartegen door een motto waarin iemand die van moord beschuldigd is, zich verdedigt door te bewijzen dat hij een braaf mensch is. Dan wordt hij vrijgesproken van de moord maar de regter zegt: toch moet je hangen omdat gij zoo ingenomen zijt met U zelf, het past U niet U zelf braaf te noemen.

De naam Lothario is door Dekker ontleend aan Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre.[12] Lothario, door Goethe opgevoerd als prototype van een edel mens, wordt onterecht beschuldigd. Hij zou einen liederlichen jungen Edelmann zijn. Wilhelm gaat naar Lothario toe om hem eens duchtig de "waarheid" te zeggen. Maar Wilhelm komt er uiteindelijk achter dat hijzelf de schuldige is. De overeenkomsten met de edele Havelaar, die ook onterecht beschuldigd en veroordeeld wordt, zijn overduidelijk.

In het "onuitgegeven Tooneelspel" wordt Lothario beschuldigd van het vermoorden en inzouten van Barbertje. Zonder enig bewijs, neemt de rechter dit voor waar aan: "Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan". De echo van dat "zeer verkeerd gedaan" is te vinden aan het eind van hoofdstuk acht in het boek: Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan., [13] en ook in hoofdstuk dertien: Omdat ik hem te Natal zo gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men eraan toe, zeer verkeerd had gedaan. [14]

Als de beschuldigde zich verdedigt en vraagt om getuigen, die kunnen bevestigen, dat hij een edel mens is, wordt hij beschuldigd van "eigenwaan". Als dan het vermeende slachtoffer komt getuigen dat Lothario een goed mens is, blijkt de beschuldiging van moord weliswaar onterecht, maar de "eigenwaan" blijft, en ook daar staat de doodstraf op. De rechter is enkel uit op een veroordeling...

De veroordeling op grond van hoogmoed is ontleend aan Nathan der Weise van Lessing. In de laatste zin van het toneelspel verwijst Dekker rechtstreeks naar dit drama. Er zijn heel veel meer overeenkomsten dan enkel dat: de hele scène in het toneelstukje is in feite geplagieerd. [15] Wel is elke verwijzing naar religie door Dekker eruit verwijderd.

Het tafereel is te vinden in het vierde bedrijf, tweede toneel, van Nathan der Weise. Daar wordt de rechter een "hypothetische casus voorgelegd: een joodse man heeft zich ontfermd over een meisje, dat wees was geworden. Hij heeft het kind in alle deugd opgevoed, enkel niet in de Christelijke leer. Juist dat is dus het hals-misdrijf. [16] Maar eigenlijk gaat het over Nathan en zijn pleegdochter.

TEMPELHERR: Gesetst, ehrwürd'ger Vater,
Ein Jude hätt' ein einzig Kind, er sey
Ein Mädchen, -- das er mit der grössten Sorgfalt
Zu allen Guten auferzogen...
...
Diess Mädchen sey des Juden Tochter nicht;
...
Das Madchen sey ein Christenkind, und sey
Getauft; der Jude hab' es nur als Jüdinn
Erzogen... ...
PATRIARCH: Dem Bunde seiner Tauf entreisst! Denn ist
Nicht alles was man Kindern thut, Gewalt? --
Zu sagen: -- ausgenommen, was die Kirch'
An Kindern thut.

Zeker nu het een jood betreft: een christen tot geloofsafval brengen, dan is éénmaal de brandstapel niet eens straf genoeg. De tegenwerping, dat het meisje het zonder zijn hulp niet had overleefd, die wordt weggewuifd met: Thut nichts! Der Jude wird verbrannt. De tekst gaat verder met:

PATRIARCH: ... Denn besser,
Es wäre hier im Elend umgekommen,
Als dass zu seinem ewigen Verderben
Es so geretted ward. -- Zu dem, was hat
der Jude Gott denn vorzugreifen? Gott
Kann, wen er retten will, schon ohn' ihn retten.
TEMPELHERR: Auch Trotz ihm, sollt'ich meynen, -- selig machen.
PATRIARCH: Thut nichts! der Jude wird verbrannt
TEMPELHERR: Das geht
Mir nah'! Besonders, da mann sagt, er habe
Das Mädchen nicht sowohl in seinem, als
Vielmehr in keinem Glauben auferzogen,
Und sie von Gott nicht mehr nicht weniger
Gelehrt, als der Vernunft genügt.
PATRIARCH: Thut nichts!
Der Jude wird verbrannt... Ja, wär'allein
Schon dieserwegen werth, dreimal verbrannt
Zu werden! -- Was? die grosse Pflicht
Zu glauben, ganz und gar ein Kind nicht lehren ?
Das ist zu arg!...

Ook in dit stuk beroemt de beklaagde zich op zijn braafheid, net zo is hier een "vreemdeling" geadopteerd. Zoals de naam "Barbertje" al aangeeft, want mogelijk afgeleid van het Griekse "barbaros". [17]

Buiten dit is er nog een ander stuk van Goethe: Faust waaraan de naam "Barbertje" ontleend zou kunnen zijn. Bärbelchen heet daar het meisje, zij is het mikpunt van haar omgeving, want zij is ongehuwd zwanger en de "vader" van haar kind heeft haar verlaten. Ook hier is sprake van onterechte verachting door omstanders. Bij Multatuli wordt evenwel niet het meisje bedreigd, maar is haar beschermer degene, die moet vrezen voor zijn leven, grond van een vals gerucht. [18]

De kompleet absurde argumentatie van de rechter is zo over de top, dat geen lezer de ironie, die erin verscholen ligt, zal kunnen missen. Soortgelijke redeneringen vindt men ook elders in de Max Havelaar, als Droogstoppel en Wawelaar op dreef zijn.

Telkens is hier de tegenstelling tussen waarheid, eerlijkheid en medemenselijkheid tegenover schijnheiligheid en gevoelloosheid. En deze tegenstelling geldt voor de gehele Max Havelaar.

De lezer kan weten, wat hem te wachten staat, welk ander doel kan een motto dienen ?

Zie ook Barbertje

Het pseudoniem Multatuli[bewerken | brontekst bewerken]

Dit pseudoniem is ontleend aan Horatius, het tweede boek met brieven, dat moet Dekker in zijn schooltijd onder ogen hebben gehad. Daarin vindt men de volgende versregels: [19]

Qui Studet optatem cursu contingere metum,

Multa tulit fecit que, sudavit et alsit
Abstinuit venere et vino.

Deze regels laten zich vertalen als: Wie ernaar streeft iets in de loop van het leven te bereiken, moet als jongeman veel dragen, veel doen, veel zweten en kou lijden, en zich onthouden van vrouwen en wijn.

Dekker gebruikte de aanduiding Multatuli voor de eerste keer in een brief dd. 24 september 1859 aan mr. W.J.C. van Hasselt: [20] Ook Tine werd in een brief uitvoerig her hoe en waarom van zijn pen-naam uitgelegd. [21]

Multatuli is een zeer welluidend pseudoniem dat nu, honderdvijftig jaar later, verduidelijking en vertaling behoeft. Negentiende-eeuwse lezers die het zich konden veroorloven het boek te kopen, waren meestal ook in staat het pseudoniem te vertalen. Ook waren Latijnse pseudoniemen in Multatuli's tijd niet ongewoon. Dat belette Dekker niet om op de laatste pagina's van zijn boek de vertaling van zijn pseudoniem nadrukkelijk te vermelden:[22]

  Ja, ik, Multatuli «die veel gedragen heb» neem de pen op.
Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek.
Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.

Op meerdere plaatsen in het boek werd door Multatuli zeer nadrukkelijk met het lijden van Havelaar gespeeld. Die heeft veel geleden, veel gedragen, veel ondervonden. In het zesde hoofdstuk noemt Multatuli zo ongeveer alle rampen op, die een mens kunnen overkomen: [23] [24]

   Zulk een kreet van smart -- vóór gifbeker of kruishout --
vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn,
veel geleden, daar is ondervonden !

   Deze tirade is me ontsnapt . . . ze staat er nu eenmaal, en
blyve. Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat op-
weegt tegen de verhuizing van de A-gracht! Hy had schip-
breuk geleden, meer dan eens. Hy had brand, oproer, sluik-
moord, oorlog, duëllen, weelde, armoede, honger, cholera,
liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had vele landen
bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en
stand, zeden, vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur.

   Wat dus de levensomstandigheden aangaat, kon hy veel
ondervonden hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden
hàd, dat hy 't leven niet was doorgegaan zonder de indrukken
optevangen die 't hem zoo ruimschoots aanbood, daarvoor
moge ons de vlugheid van zyn geest borg wezen, en de ont-
vankelykheid van zyn gemoed.

  Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen
konden hoeveel hy had bygewoond en geleden, dat hiervan
zoo weinig op zyn gelaat te lezen was. Wel sprak er uit zyn
trekken iets als vermoeienis, doch dit deed eer denken aan
vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. En naderende
ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indiën is de
man van vyfendertig jaar niet jong meer.

In het zevende hoofdstuk is er nóg een passage, waarin het lijden van Havelaar wordt aangestipt:

   Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds
veel geleden had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn
fier hoofd had moeten buigen onder de furca caudina van
menigen schuldeischer, had hy zyn traagheid of zyn schroom
kunnen overwinnen om werk te maken van de millioenen die
hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem
met eene oude rekening-courant . . . een argument, zooals men
weet, waartegen niets valt intebrengen.

Het lijden slaat echter niet alleen op Havelaar, maar is evenzeer van toepassing op de inlander. Dit lijden komt vooral tot uitdrukking in de vertelling over Saïdjah en Adinda.

Aanvullende informatie over het pseudoniem is verder te vinden bij het lemma over de schrijver Multatuli.

De indeling in hoofdstukken[bewerken | brontekst bewerken]

In de twee uitgaven die Dekker zelf kon verzorgen merkte hij daarover op: [25]

De Verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van Lennep, Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryverachtig genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt, zonder schade kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte van den overgang den lezer wakker houdt of . . . maakt. Doch de ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom die indeeling bestaan.

In tegenstelling tot wat Dekker hier beweert, was de tekst in het handschrift door hemzelf wel degelijk in hoofdstukken ingedeeld. Elk hoofdstuk was door een streep aan het einde gemarkeerd. Dekker gaat direct daarna door met de tekst van het volgende hoofdstuk, een nieuw hoofdstuk begint niet bovenaan een nieuwe pagina. Ook een nummering ontbreekt. In het handschrift zijn er op deze manier in totaal 39 hoofdstukken aan te wijzen.

De indeling in hoofdstukken is bovendien verankerd in de tekst zelf. Op bladzijde 8 [26] wordt de lezer door Droogstoppel geinformeerd:

Daar ik nu voor het oogenblik afscheid van u neem... noodig ik U straks op een tweede hoofdstuk.

Op bladzijde 95 [27] staat er:

... en als gij gesteld zijt op wat afwisseling in mijne vertelling, moet ge mij het volgend hoofdstuk lezen, waarin ik U mededeel wt er zoo al gesproken werd bij dat maal.

In het vervolg van de tekst wordt er ook naar deze passage terugverwezen:

.... Toen ik in het vorig hoofdstuk afsloot met eene verwijzing op wat afwisseling in het volgende, was dat eigenlijk meer eene oratorische kunstgreep, en om een lot te maken dat goed ,,knipte", dan wel omdat ik indedaad meende dat het volgend hoofdstuk alleen ter afwisseling" waarde hebben zou. ...

Verder op midden hoofdstuk negen, volgens de telling van Van Lennep, doet Droogstoppel zijn beklag over Sterns opstel. In het handschrift staat daar:

Met de laatste tien hoofdstukken heeft hij [Stern] ons drie kransavonden bezig gehouden.

Door Van Lennep is dit veranderd in: Met zijn opstel heeft hy ons al drie kransavonden bezig gehouden.... Zo werd Multatuli's indeling in hoofdstukken onzichtbaar gemaakt voor de lezer. En dat bleef zo in de uitgaven die Dekker zelf corrigeerde, want vijftien jaar later was dit detail uit zijn geheugen weggezakt. Het handschrift, dat hem hierbij had kunnen helpen, heeft Dekker nooit teruggezien.

Sötemann schrijft over dit alles: [28]

Men mag hieruit wel afleiden dat Multatuli's hierboven aangehaalde opmerking over het 'reglement' coquetterie is, dan wel dat hij zich de zaak niet meer nauwkeurig herinnerde. (het blijft natuurlijk wáár dat een streep tussen twee hoofdstukken een minder nadrukkelijke afscheiding vormt dan een gedeeltelijk witte pagina en de aankondiging van een nieuw hoofdstuk door middel van een opschrift.

Van Lennep was zich heel wel bewust van de betekenis van de strepen in het manuscript, en hij volgde ze ook wel, vooral in de eerste hoofdstukken van Droogstoppel, maar daarna veel minder. Kennelijk vond hij negen-en-dertig hoofdstukken iets teveel van het goede of vond hij de hoofdstukken te kort. Hoofdstukken werden bij elkaar gevoegd: door met krassen rode en paarse inkt de strepen door te krassen. Zo brengt Van Lennep het aantal hoofdstukken in het manuscript eerst terug tot zeventien. Het uiteindelijke aantal hoofdstukken in druk is iets groter, namelijk twintig. Ook tijdens de correctie van het zetsel veranderde Van Lennep nog een groot aantal zaken.

Het gevolg is dat Droogstoppel steeds halverwege een hoofdstuk de pen van Stern overneemt. Het betreft: hoofdstuk IX, XVI, XVIII en XX. Bij Multatuli's ind€€€eling is van dergelijke wisselingen geen sprake, behalve aan het einde, als Multatuli Stern en Droogstoppel congé geeft voordat hij een nieuw hoofdstuk begint met zijn slotwoord, manifest en opdracht.

De onderstaande tabel is ontleend aan Sötemanns analyse, de paginanummering is uit het handschrift. [29] [30]

hoofdstuk
van Multatuli
aangeduid met een
witregel en een streep
blz. auteur hoofdstuk
van Van Lennep
in manuscript
hoofdstuk
in eerste druk
1 3-8 Droogstoppel I Eerste Hoofdstuk
2 8-14 II Tweede Hoofdstuk
3 14-22 III Derde Hoofdstuk
4 22-31 IV


Vierde Hoofdstuk


5 31-38
6 38-41 Stern V



Vijfde Hoofdstuk



7 41-45
8 45-52
9 52-57 VI


Zesde Hoofdstuk.


10 57-65
11 65-74 VII


Zevende Hoofdstuk


12 64-81
13 81-89 VIII Achtste Hoofdstuk.


14 89-95 IX', doorgestreept

15 95-97 Negende Hoofdstuk


16 97-104 Droogstoppel


X
17 104-107 XI, later: X



Tiende Hoofdstuk
18 107-114 Stern Elfde Hoofdstuk


19 114-121
20 121-130 XI Twaalfde Hoofdstuk.
21 130-134 XII


Dertiende Hoofdstuk.


22 134-140
23 140-149 XIII


Veertiende Hoofdstuk.


24 149-160
25 160-169 XIII


Vijftiende Hoofdstuk.


26 169-172
27 172-179 XIV


Zestiende Hoofdstuk.


28 179-185 Droogstoppel
29 185-193 Stern XV



Zeventiende Hoofdstuk.



30 193-203
31 203-206
32 206-211 XVI


Achttiende Hoofdstuk.


33 212-216 Droogstoppel
34 216-221 Stern XVII












Negentiende Hoofdstuk.



35 221-223
36 223-225
37 225-233 Twintigste Hoofdstuk.







38 233-236
38 336 Stern
afgekapt door Multatuli,
met een interruptie van Droogstoppel
39 236-239 Multatuli

geloofsbelijdenis[bewerken | brontekst bewerken]

  Een vader zon voor 'n oogenblik het huis verlaten. Om de
scherpzinnigheid zyner kinderen op de proef te stellen, gaf hy
hun te raden wat hy zou gedaan hebben gedurende z'n afwezigheid.

  Een der kinderen, die een blauw buisje droeg, zeide:

  - Ik weet het al. Vader is naar den kleermaker, om zich 'n
blauw buisje te laten aanmeten.

  Het tweede kind, dat gaarne zoetigheid at, werd boos op
BLAUWBUIS, die zoo dom kon zyn te gelooven dat de vader een
blauw huisje droeg, als hy.

  - Ik weet beter, reide het. Vader eet zoeten koek met stroop.

  Het derde kind, dat in 'n donker hoekje zat, kneep 'n kat in
den staart, en schold KOEKETER uit, die zoo dom was te denken
dat vader koek at als hy.

  - Ik weet beter, zeide het. Vader slacht 'n os.

  Het vierde kind, dat zeer twistziek was, trok RATTEKNYPER de
haren uit, omdat hy zoo dom was te gelooven dat de vader 'n
os slachtte.

  - Ik weet beter, zeide he’. Vader is naar buurman Pieterse
gegaan, om dien eens flink afteranselen.

  Het laatste kind verpleegde een lyster die haar pootje had ge-
broken, en had hiermee zooveel te doen dat het verzuimde aan
't raadsel te denken.

  Toen nu de vader thuis kwam, bleek er, dat noch BLAUWBUIS,
noch KOEKETER, noch KATTEKNYPER, noch HAARTREKKER goed
gegist hadden. Maar 't laatste kind had nog niet
gesproken.

  - Ik weet het waarlyk niet, zei LYSTERMANNETJE. Zie, daar
richt zy zich op, en ziet ons dankbaar aan...

  -- Juist, riep de vader... dát deed de zieke weduw die ik
bezocht!

  Niemand had getroffen. Maar LYSTERMANNETJE was het naast
aan de waarheid, zonder te hebben meegeraden. (Vgl. Ideën
101, 440.)

prikkels[bewerken | brontekst bewerken]

Prikkels is een Nederlands tijdschrift dat lange tijd maandelijks worgt uitgegeven door de papierhandel Proost en Zoon te Amsterdam. Het doel van het tijdschrift is de klanten op (af en toe) humoristische wijze de mogelijkheden te tonen van wat er met het geleverde papier kon worden gemaakt.

Later fuseerde dit bedrijf met de firma Brandt en Zoon, welke voorafgaand aan de fusie een soortgelijk tijdschrift uitgaf onder de titel Brandt-Vonken. Na de fusie werd de reeks Prikkels voortgezet. Na 75 jaar bestaat dit tijdschrift nog altijd: in augustus 2010 is het aan nummer 462 toe.

  	+  	

het Opium-Regiem[bewerken | brontekst bewerken]

Het is relatief onbekend, toch was het een regerings-monopolie, waarvan de boekhouding nog altijd te raadplegen is in het Rijks-archief te Den Haag, naast de Koninklijke Bibliotheek. Papavers in India geteeld, werden ingekocht bij de Engelsen, en daarna in Nederland verwerkt tot opium. In Leiden bijvoorbeeld stond een zeer grote opium-fabriek, mogelijk was dat zelfs de grootste opium-fabriek ter wereld.

Opium was in de negentiende eeuw de enig bruikbare pijnstiller, maar de productie was veel groter dan de binnenlandse markt - de Nederlandse bevolking van misschien vier miljoen mensen - kon afnemen. Het overschot, het overgrote deel derhalve, werd afgezet op Java en de andere eilanden. En bij gevolg vormden de Nederlandse regering tezamen met de Engelse overheid de grootste drugshandelaren ooit. Natuurlijk werd er gesmokkeld, maar dat werd streng tegen gegaan. Want "illegale" opium, dat knaagde aan de opbrengst... De gevolgen voor de bevolking van de toenmalige kolonie ten gevolge van deze hard-drugs en het roken van opium, die waren desastreus. Voor wat betreft de gezondheid van de bevolking, en de lokale economie... Maar... de enorme winsten, die vloeiden rechtstreeks naar de Nederlandse schatkist. Maar daarover klaagden in Nederland slechts weinigen. Het was niet het cultuurstelsel alleen dat voor de winsten zorgde, de drugshandel deed als winstmaker daar zeker niet voor onder. Enkel de totale winst werd in de boeken gemeld.

Johan H. van Eikeren[bewerken | brontekst bewerken]

Johan H. van Eikeren (1900-1969) was een vooraanstaand Amsterdamse typograaf. Ook als auteur in grafische vakbladen heeft hij een grote rol gespeeld voor drukkers en uitgevers in Amsterdam, maar ook ver daarbuiten. Veertig jaar lang was hij in dienst van C.G.A. Corvey Papiergroothandel en had daardoor vele contacten met vakgenoten, illustratoren en uitgevers. Vanaf 1936 verzorgde hij de typografie van de reeks 'Het Corvey-Model van de uitgever'. Daarnaast was hij betrokken bij vele kerstnummers van Grafisch Nederland, schreef hij artikelen voor vele grafische vakbladen zoals Intergrafia, Tété, Drukkersweekblad en Offset. Veel exposities van tekenaars en illustratoren in de toonkamers van papiergroothandel Corvey op de Keizersgracht werden door Van Eikeren ingericht.

In het Stadsarchief van Amsterdam wordt een klein archief bewaard: daarin de receptieboeken ter gelegenheid van het 25-jarig dienstverband en het afscheid van Van Eikeren bij Corvey, met handtekeningen van onder anderen Fiep Westendorp en Bert Bouman. Ook zijn er enige eigenhandige aquarellen in te vinden, alsmede opzetten en vignetten voor de Corvey-modellen.[31][32]

Producties van Johan H. van Eikeren[bewerken | brontekst bewerken]

titel auteur(s) vertaler illustraties gebruikte letter papier oplage uitgever jaar drukker
Daphnis ende Chloe Amyox J. Brouwer C.A.B. Bantzinger Bembo Monotype 270 handgeschept Oud-Hollandsch 1000 genummerd F.G.Kroonder Bussum 1967 G.J.Thieme Nijmegen

<--==Referenties==

  1. Multatuli, leven en werk van Eduard Douwes Dekker, Dik van de Meulen, Sun, 2003, blz. 666 ev.
  2. http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2664/Nieuws/article/detail/1865355/2011/03/26/Borssele-meermaals-ontsnapt-aan-ramp.dhtml
  3. in eerste, tweede en derde druk
  4. in vierde en vijfde druk
  5. Tine was 26 september 1819 geboren en was 13 september 1874 overleden in Italië
  6. Dekker en Everdine van Wijnbergen waren op 10 april 1846 getrouwd
  7. moeder van Pieter Jan Constant Eduard (Edu), geboren 1 januari 1854, en van Elisabeth Agnes Everdine (Nonni), geboren 1 juni 1857
  8. A.Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk p.3
  9. Le Nord, Journal International, 10 oktober 1859, 5e jaargang, nr. 248
  10. A.Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk. p.3
  11. Dekker aan Tine, 27 oktober 1859, VW-X, p.89
  12. Wilhelm Meisters Lehrjahre, München, 1962, D.T.V. Goethe Gesamtausgabe 25/26, dl.II
  13. VW-I, p.120
  14. VW-I, p.106
  15. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p.24-26
  16. Lessing, Sämtlige Schriften Bd. II, blz. 295-298
  17. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 26
  18. A.Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk, p.4
  19. Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, Arbeiderspers, Amsterdam, p.428
  20. VW,X-blz.57-59
  21. VW,X-blz.59-65
  22. Sötemann, dr. A.L., Structuur van de Max Havelaar p.22
  23. VW,I-blz.83-84
  24. VW,I-blz.102
  25. Vierde druk, Max Havelaar, 1875, p.344, Vijfde druk, 1881, p. 350, noot 1, VW-I, blz.309
  26. G. Stuiveling, "Nulde Druk"
  27. G. Stuiveling, "Nulde Druk"
  28. De structuur van de Max Havelaar', hoofdstuk II, pag.35
  29. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p.36-37
  30. prof.dr.G. Stuiveling, Multatuli, Max Havelaar, naar het authentieke handschrift uitgegeven en ingeleid door dr.G.Stuiveling, 1949, Van Oorschot
  31. Stadsarchief Amsterdam: overzicht
  32. Stadsarchief Amsterdam: inventaris

-->

Abe Johannes Kuipers (Rotterdam, 29 september 1918) is een Nederlands beeldend kunstenaar en typograaf. Hij is de broer van de uitgever Reinold Kuipers. Na een opleiding aan de Groningse Academie Minerva begon hij na de oorlog een loopbaan als schilder. Na zich aanvankelijk als fijnschilder te hebben gespecialiseerd ging hij zich vanaf het einde van de jaren '50 steeds meer met pop art en grafische technieken bezighouden. Hij werkte onder meer voor uitgeverij Wolters-Noordhoff en verzorgde de lay-out van de tentoonstellingscatalogi van het Groninger Museum. Ook voor meer algemene vormgeving werd hij gevraagd, zoals voor de inrichting van gebouwen. Van 1961-1981 was Kuipers docent typografie aan de Academie voor Kunst en Industrie (AKI) in Enschede. Hij is al die jaren steeds actief gebleven als schilder, waarbij persoonlijke herinneringen meer en meer zijn inspiratiebron werden.

In 1980 kreeg hij voor zijn gehele oeuvre de H.N. Werkmanprijs.


bronnen[bewerken | brontekst bewerken]