Max Havelaar (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Max Havelaar
Vijfde druk 1881
Vijfde druk 1881
Auteur(s) Eduard Douwes Dekker
Land Nederland
Taal Nederlands
Uitgever J. de Ruyter
K.H. Schadd
G.L. Funke
Uitgevers-maatschappij Elsevier
Van Munster en Zonen
Edmonston
Bas Lubberhuizen
Medium Print
Verfilming Max Havelaar
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Max Havelaar, of de koffi-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy is een in 1860 gepubliceerde roman van Multatuli (het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) over een man die ageert tegen het corrupte regeringssysteem van Nederlands-Indië. Het werk heeft een grote invloed gehad op zowel de Nederlandse literatuur als de Nederlandse koloniale politiek. Max Havelaar geldt als een van de belangrijkste werken uit de canon van de Nederlandse literatuur. Het boek werd in 1976 verfilmd.

Achtergrond[bewerken]

De politieke heerschappij over Indonesië was in het begin van de negentiende eeuw van de VOC overgegaan naar de Nederlandse regering. Om de winst te vergroten werd het Cultuurstelsel ingevoerd, een serie maatregelen die de planters in staat stelde waardevolle landbouwproducten te verbouwen, in plaats van alleen voedingsmiddelen zoals rijst. Daarbij werd een belastingstelsel ingevoerd waarvan de ambtenaren volgens een commissiesysteem werden beloond. De combinatie van deze twee maatregelen veroorzaakte een wijdverbreide corruptie, die resulteerde in grote armoede en hongersnood onder de inheemse bevolking.

Douwes Dekker schreef Max Havelaar uit protest tegen deze koloniale maatregelen. En hoewel hij zo goed als onbekend was als auteur ten tijde van publicatie, wist hij met zijn boek bij Nederlanders het bewustzijn op te roepen dat de weelde die zij genoten het resultaat was van menselijk lijden in andere delen van de wereld.

Thematiek[bewerken]

Multatuli schreef Max Havelaar als een aanklacht tegen het misbruik van het Cultuurstelsel, tegen herendiensten, en tegen plichtsverzuim door Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië. Tot Dekkers frustratie werd het werk als zodanig niet serieus genoeg genomen maar het boek maakte van Multatuli meteen een bekende schrijver.

Naast de aanklacht was er nog een ander motief voor Multatuli om dit boek te schrijven. Na zijn ontslag als "assistent-resident" in Nederlandsch Indië was Multatuli tot bittere armoede vervallen. Hij hoopte op eerherstel en een nieuwe ambtelijke functie in de kolonie. Hij was zelfs bereid van publicatie af te zien, indien door de toenmalige regering aan zijn "wensen" zou worden voldaan. In een brief aan zijn vrouw Tine gedateerd 20 november 1859 licht hij dat toe. Die wensen hielden onder andere in dat hij op Java tot resident werd benoemd, herstel van zijn diensttijd zodat hij gewoon pensioen zou krijgen over die jaren, een ruim voorschot en hij wilde benoemd worden in de orde van de Nederlandse Leeuw.[1]

Dat lintje zag hij vooral als eerherstel en als een blijk van erkenning. In de onderhandelingen werd Dekker "eene convenable betrekking" aangeboden in West-Indië, in ruil voor het achterhouden van het boek. Maar dat was Dekker niet genoeg. In een brief aan koning Willem III schrijft Dekker dat hij het aanbod afgewezen heeft.

Ook door anderen (waaronder Van Lennep) werd gepoogd Dekker een functie toe te spelen om zo de publicatie te voorkomen.[2]

De titel: Max Havelaar, of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy door Multatuli[bewerken]

Titelpagina van de vijfde druk, 1881

Het boek draagt een dubbele titel: Max Havelaar, of de Koffiveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy door Multatuli. In het boek is weinig over koffie en koffieveilingen te vinden en nog minder over de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Daar waren al snel klachten over van lezers in die tijd.

Multatuli had vele redenen om voor deze ondertitel te kiezen. Zo was het in de negentiende eeuw gebruikelijk om een ondertitel te gebruiken en deze is gebruikt om de ironie van Multatuli naar voren te brengen. De lezer werd op het verkeerde been gezet en bleef met de vraag zitten of dit werk wel of geen fictie was. In het boek komt deze ironie verder naar voren doordat ook Droogstoppel erdoor wordt misleid. Hij schrijft dat het boek de koffijveilingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappy[3] zal gaan heten, een onderwerp dat hem zeer interesseert, maar gaandeweg merkt hij dat het boek daar niet over gaat. Een andere reden is dat voor Dekker de Nederlandsche Handel-Maatschappij op deze manier symbool staat voor de onderdrukking en uitbuiting van de Javaan en de koloniale politiek. In de tijd dat het werk geschreven werd, was er veel te doen rondom koffie en Multatuli speelde in op de actualiteit.

Multatuli wilde gelezen worden en greep daarvoor elk middel aan: de ondertitel trok de aandacht en verleidde lezers om het boek aan te schaffen en te lezen.

Een toneelspel als motto[bewerken]

Als "motto" fungeert een Onuitgegeven toneelspel waarin Lothario - hoewel onschuldig - veroordeeld wordt tot ophanging omdat hij schuldig zou zijn aan eigenwaan. Met dit motto verwees Dekker naar die lieden die hem zullen verwijten zelfingenomen te zijn nu hij zich in de Max Havelaar vrij pleitte van schuld. In een brief meldde Dekker daarover aan Tine:[4]

De naam Lothario is door Dekker ontleend aan Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre.[5] Lothario, door Goethe opgevoerd als prototype van een edel mens, wordt onterecht beschuldigd. Hij zou einen liederlichen jungen Edelmann zijn. Wilhelm gaat naar Lothario toe om hem eens duchtig de "waarheid" te zeggen. Maar Wilhelm komt er uiteindelijk achter dat hijzelf de schuldige is. De overeenkomsten met de edele Havelaar, die ook onterecht beschuldigd en veroordeeld wordt, zijn overduidelijk.

In het "onuitgegeven Tooneelspel" wordt Lothario beschuldigd van het vermoorden en inzouten van Barbertje. Zonder enig bewijs, neemt de rechter dit voor waar aan: "Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan". De echo van dat "zeer verkeerd gedaan" is te vinden aan het eind van hoofdstuk acht in het boek: Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan.,[6] en ook in hoofdstuk dertien: Omdat ik hem te Natal zo gekontrarieerd had, waaraan ik dan ook, voegde men eraan toe, zeer verkeerd had gedaan.[7]

Als de beschuldigde zich verdedigt en vraagt om getuigen, die kunnen bevestigen, dat hij een edel mens is, wordt hij beschuldigd van "eigenwaan". Wanneer het vermeende slachtoffer komt getuigen, dat Lothario een goed mens is, blijkt de beschuldiging van moord weliswaar onterecht, maar de "eigenwaan" blijft, en ook daar staat de doodstraf op. De rechter is enkel uit op een veroordeling...

De veroordeling op grond van hoogmoed is ontleend aan Nathan der Weise van Lessing. In de laatste zin van het toneelspel verwijst Dekker rechtstreeks naar dit drama. Er zijn heel veel meer overeenkomsten dan enkel dat: de hele scène in het toneelstukje is in feite geplagieerd.[8] Wel is elke verwijzing naar religie door Dekker eruit verwijderd.

Het tafereel is te vinden in het vierde bedrijf, tweede toneel, van Nathan der Weise. Daar wordt de rechter een "hypothetische casus voorgelegd: een joodse man heeft zich ontfermd over een meisje, dat wees was geworden. Hij heeft het kind in alle deugd opgevoed, enkel niet in de Christelijke leer. Juist dat is dus het hals-misdrijf.[9] Maar eigenlijk gaat het over Nathan en zijn pleegdochter.

Zeker nu het een jood betreft: een christen tot geloofsafval brengen... dan is de brandstapel nog niet eens genoeg straf. De tegenwerping, dat het meisje het zonder zijn hulp niet had overleefd, die wordt weggewuifd met: Thut nichts! Der Jude wird verbrannt.

Ook in dit stuk beroemt de beklaagde zich op zijn braafheid, net zo is hier een "vreemdeling" geadopteerd. Zoals de naam "Barbertje" al aangeeft, want mogelijk afgeleid van het Griekse "barbaros".[10]

Buiten dit is er nog een ander stuk van Goethe: Faust waaraan de naam "Barbertje" ontleend zou kunnen zijn. Bärbelchen heet daar het meisje, zij is het mikpunt van haar omgeving, want zij is ongehuwd zwanger en de "vader" van haar kind heeft haar verlaten. Ook hier is sprake van onterechte verachting door omstanders. Bij Multatuli wordt evenwel niet het meisje bedreigd, maar is haar beschermer degene, die moet vrezen voor zijn leven, op grond van een vals gerucht.[11]

De argumentatie van de rechter is zo absurd, dat geen lezer de ironie, die erin verscholen ligt, zal kunnen missen. Soortgelijke redeneringen vindt men ook elders in de Max Havelaar, als Droogstoppel en Wawelaar op dreef zijn.

Telkens is hier de tegenstelling tussen waarheid, eerlijkheid en medemenselijkheid tegenover schijnheiligheid en gevoelloosheid. En deze tegenstelling geldt voor de gehele Max Havelaar.

1rightarrow blue.svg Zie ook Barbertje
Max Havelaar, gevelpaneel in Gouda

De indeling in hoofdstukken[bewerken]

In de twee uitgaven die Dekker zelf kon verzorgen merkte hij op dat de verdeling in hoofdstukken een toevoeging is van Van Lennep.[12] In tegenstelling tot wat Dekker beweert, was de tekst in het handschrift door hemzelf wel degelijk in hoofdstukken ingedeeld. Elk hoofdstuk was door een streep aan het einde gemarkeerd. Dekker gaat direct daarna door met de tekst van het volgende hoofdstuk, een nieuw hoofdstuk begint niet bovenaan een nieuwe pagina. Ook een nummering ontbreekt. In het handschrift zijn er op deze manier in totaal 39 hoofdstukken aan te wijzen. De indeling in hoofdstukken is bovendien verankerd in de tekst zelf. Op bladzijde 8[13] wordt de lezer door Droogstoppel geïnformeerd:

Door aanpassingen uitgevoerd door Van Lennep werd Multatuli's indeling in hoofdstukken onzichtbaar gemaakt voor de lezer. En deze indeling in hoofdstukken bleef gehandhaafd in de uitgaven die Dekker zelf corrigeerde, want vijftien jaar later was dit detail uit zijn geheugen weggezakt. Het handschrift, dat hem hierbij had kunnen helpen, heeft Dekker nooit teruggezien.

A.L. Sötemann schrijft over dit alles:[14]

Aanhalingsteken openen

Men mag hieruit wel afleiden dat Multatuli's hierboven aangehaalde opmerking over het 'reglement' coquetterie is, dan wel dat hij zich de zaak niet meer nauwkeurig herinnerde. (het blijft natuurlijk wáár dat een streep tussen twee hoofdstukken een minder nadrukkelijke afscheiding vormt dan een gedeeltelijk witte pagina en de aankondiging van een nieuw hoofdstuk door middel van een opschrift.

Aanhalingsteken sluiten

Van Lennep was zich bewust van de betekenis van de strepen in het manuscript, en hij volgde ze ook wel, vooral in de eerste hoofdstukken van Droogstoppel, maar daarna veel minder. Kennelijk vond hij negen-en-dertig hoofdstukken iets te veel van het goede of vond hij de hoofdstukken te kort. Hoofdstukken werden bij elkaar gevoegd: door met rode en paarse inkt de strepen door te krassen. Zo brengt Van Lennep het aantal hoofdstukken in het manuscript eerst terug tot zeventien. Het uiteindelijke aantal hoofdstukken in druk is iets groter, namelijk twintig. Ook tijdens de correctie van het zetsel veranderde Van Lennep nog een groot aantal zaken.

Het gevolg is dat Droogstoppel steeds halverwege een hoofdstuk de pen van Stern overneemt. Het betreft: hoofdstuk IX, XVI, XVIII en XX. Bij Multatuli's indeling is van dergelijke wisselingen geen sprake, behalve aan het einde, als Multatuli Stern en Droogstoppel congé geeft voordat hij een nieuw hoofdstuk begint met zijn slotwoord, manifest en opdracht.

De onderstaande tabel is ontleend aan Sötemanns analyse, de paginanummering is uit het handschrift.[15][16]

Hoofdstuk van Multatuli,
aangeduid met een witregel en een streep
Blz. Auteur Hoofdstukindeling van Van
Lennep in manuscript
In eerste druk
1 3-8 Droogstoppel I Eerste Hoofdstuk
2 8-14 II Tweede Hoofdstuk
3 14-22 III Derde Hoofdstuk
4 22-31 IV Vierde Hoofdstuk
5 31-38
6 38-41 Stern V Vijfde Hoofdstuk
7 41-45
8 45-52
9 52-57 VI Zesde Hoofdstuk
10 57-65
11 65-74 VII Zevende Hoofdstuk
12 64-81
13 81-89 VIII Achtste Hoofdstuk
14 89-95 IX, doorgestreept
15 95-97 Negende Hoofdstuk
16 97-104 Droogstoppel X
17 104-107 XI, later:X Tiende Hoofdstuk
18 107-114 Stern Elfde Hoofdstuk
19 114-121
20 121-130 XI Twaalfde Hoofdstuk
21 130-134 XII Dertiende Hoofdstuk
22 134-140
23 140-149 XIII Veertiende Hoofdstuk
24 149-160
25 160-169 XIII Vijftiende Hoofdstuk
26 169-172
27 172-179 XIV Zestiende Hoofdstuk
28 179-185 Droogstoppel
29 185-193 Stern XV Zeventiende Hoofdstuk
30 193-203
31 203-206
32 206-211 XVI Achttiende Hoofdstuk
33 212-216 Droogstoppel
34 216-221 Stern XVII Negentiende Hoofdstuk
35 221-223
36 223-225
37 225-233 Twintigste Hoofdstuk
38 233-236 Stern †
39 236-239 Multatuli

† Afgekapt door Multatuli, met een interruptie van Droogstoppel.

Het verhaal verteld door drie "auteurs": Droogstoppel, Stern en Multatuli[bewerken]

Max Havelaar bevat meerdere raamvertellingen en minstens twee hoofdthema's, waarvan het ene min of meer losstaat van het andere. Het is dankzij deze structuur een typisch voorbeeld van een dubbelroman.[17]

In het begin is Droogstoppel aan het woord, het prototype van een benepen, gierig man zonder een greintje fantasie, die erg ingenomen is met zichzelf. Droogstoppel ontmoet na vele jaren een voormalige schoolgenoot, Sjaalman (een alter ego van Multatuli), die hem vraagt een manuscript uit te geven. Droogstoppel laat dat werk doen door de Duitse stagiair Ernest Stern.

Dit eerste deel waarin Droogstoppel het woord neemt vult vijf hoofdstukken uit het handschrift. Later komt Droogstoppel nog een paar keer aan het woord, volgens eigen zeggen om het boek een solide voorkomen te geven. Deze delen zijn korter: een keer twee hoofdstukken en twee keer een hoofdstuk. In de hoofdstukindeling van Van Lennep neemt Droogstoppel midden in een hoofdstuk de pen over.

Dan is er het verhaal geschreven door Stern, het belangrijkste deel van het boek. Dit verhaal volgt in grote lijnen de werkelijke belevenissen van Max Havelaar (zoals Dekker hier wordt genoemd) als assistent-resident in Nederlands-Indië.

Dit deel is op zich weer een kaderverhaal, want in een aantal hoofdstukken vertelt Havelaar zijn voorgeschiedenis, onder andere op Sumatra. Hij vertelt er ook de parabel van de Japanse steenhouwer, oorspronkelijk van Wolter Robert van Hoëvell (1812-1879). Die wenst zich niet te schikken in zijn nederige lot en krijgt de kans via een aantal identiteitswisselingen steeds hogerop te komen. Hij verandert zelfs in de regen, en in de rots waarin hij had gehakt — "doch tevreden was hij niet". Ten slotte keert hij terug in zijn oude beroep. Het is een verhaal met een moraal (een subtekst waaruit de lezer een les kan trekken): ambitie maakt ongelukkig, tevredenheid is beter dan verlangen.

Naast de geschiedenis van Havelaar, bevatten de Stern-fases ook vele uitweidingen: daartussen is ook het beroemde verhaal van Saïdjah en Adinda te vinden. Het gaat hier om de avonturen van een onderdrukte Javaan. Dit verhaal, dat lezers vanaf de verschijning van het boek sterk heeft aangesproken, is een felle aanklacht tegen de uitbuiting van de Javanen, de uitzichtloosheid van het volk en het werkeloos toezien van de autoriteiten. Dekker vergelijkt het verhaal met De hut van Oom Tom: een gefantaseerde roman met de belevenissen van onderdrukte personen, wat veel meer indruk maakt dan een waarheidsgetrouwe, maar droge beschrijving van de onderdrukkingen.

Multatuli werd vele malen aangevallen, over zijn haast terloopse opmerkingen over de koloniale krijgsmacht. Maar juist hier liet Dekker zijn twijfels over het koloniale beleid zo overduidelijk zien.

Aan het einde van het voorlaatste hoofdstuk neemt de schrijver, met het pseudoniem Multatuli, zelf het woord. Hij bedankt Stern vriendelijk voor zijn schrijfwerk. Hij scheldt Droogstoppel uit (ellendig produkt van vuile geldzucht en Godslasterlijke femelarij) en beveelt hem te verdwijnen. Nu komt een aanklacht tegen de beschreven corruptie en de reden waarom het boek geschreven werd. Uiteindelijk schrijft Multatuli een opdracht aan het staatshoofd, koning Willem III. Hij waarschuwt de koning voor wat er in zijn naam gebeurt in het rijk van Insulinde, de "gordel van smaragd".

Uitgeefgeschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Max Havelaar (uitgeef-geschiedenis) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Pagina uit het manuscript. De vragen van Frits, die hier staan, zijn in veel gedrukte uitgaven weggelaten. Ook blijkt hier dat Multatuli ij schreef en koffij, terwijl in veel gedrukte uitgaven y en koffi staat.

Jaren voor er sprake was van een boek als de Max Havelaar had Dekker een kopie van zijn toneelstuk De Eerloze aan de Amsterdamse advocaat en schrijver Jacob van Lennep gestuurd. Toen het manuscript van Max Havelaar af was, kwam het uiteindelijk ook bij "broeder" Van Lennep terecht, die zeer enthousiast was over het boek.

Tijdens een bijeenkomst in Amsterdam op 11 januari 1860 viel het besluit om het boek te gaan uitgeven. Van Lennep beloofde een uitgever te zoeken, en kende Dekker voor de eerste zes maanden een uitkering van 200 guldens per maand toe. Bovendien deed Van Lennep aan Dekker de belofte te zullen zorgen voor gunstige voorwaarden voor de auteur.

Deze 1200 guldens gaven Dekker de mogelijkheid voor een tijdje zijn gezin te onderhouden. Alleen was Van Lennep niet geheel duidelijk waarvoor precies dit geld is bedoeld. Op 11 januari werd er niet over betaling van het kopijrecht gerept. Het geld was bedoeld als ondersteuning, het kon ook als lening worden opgevat. Later zal Van Lennep aanvoeren dat het een betaling was voor het kopijrecht.[18] Achteraf is wel duidelijk, dat Van Lennep deze 1200 gulden uit eigen zak betaalde. Bij de afrekening later, werd dan ook die 1200 guldens geheel afgetrokken van de winst-deling waarin Dekker mocht meedelen.

Op 23 januari schreef Van Lennep in een brief aan Dekker, dat hij zonder het eigendom van het kopijrecht het boek niet bij een uitgever kon onderbrengen. Deze brief heeft in de literatuur als naam gekregen: "het advocatenbriefje".[19]

Nadat Dekker dit bericht kreeg, zond hij een gezegeld document aan Van Lennep, waarin alles zo geregeld werd. Pas daarna maakte Van Lennep een aanvang met het persklaar maken van het boek.

Voor deze afdracht heeft Dekker nooit enige betaling ontvangen, en ook in juridische zin is hier geen sprake van een koop-overeenkomst.

Van Lennep veranderde een aantal gedichten omdat hij vond dat 'ij' niet op 'ei' rijmt (Dekker noemde dat kinderachtig) en hij verwijderde een aantal delen, zoals de vragen die Frits stelde over de Bijbel. Bovendien deelde Van Lennep de tekst in hoofdstukken in, en voegde zelf samenvattingen toe aan het begin van de hoofdstukken.

Eerste druk[bewerken]

pagina 1 eerste druk 1860
"lieve lezers"
eerste zetfout in dubbeldruk
omslag eerste druk

De eerste druk verscheen 17 mei 1860 in twee delen bij uitgeverij J. de Ruyter in Amsterdam.[20] Drie dagen eerder, op 14 mei was het boek reeds in de handel verkrijgbaar.[21][22]

De oplage van 1300 exemplaren werd op groot octavo gedrukt bij drukkerij Van Munster en Zonen op een snelpers.[23] Er waren twee delen, van 212 en 185 pagina's. De boeken werden verkocht voor 4 gulden, een heel bedrag in die tijd - veel gezinnen moesten daar een week of langer van rond zien te komen.

Multatuli had het boek bedoeld als een aanklacht voor de massa, maar Van Lennep had de politieke boodschap afgezwakt door plaatsnamen en jaartallen door puntjes te vervangen. Ook het aantal exemplaren dat naar de "Oost" werd gezonden was zeer klein.

Toch was Dekker in eerste instantie zeer tevreden met de uitgave. Het duurde even, maar toen kwam er een "rilling door het land". Ondanks de vrij hoge prijs, werden de 1300 exemplaren van de eerste editie zeer goed verkocht. Nog hetzelfde jaar bleek een tweede editie nodig. Dekker drong er bij De Ruyter op aan, dat die volgende editie een "volkseditie" zou worden: vele duizenden exemplaren en een lage prijs, zodat het boek een ruime verspreiding zou kunnen krijgen, en ook wilde Dekker dat er exemplaren naar de "Oost" zouden worden gestuurd.

Pas toen werd hem duidelijk, dat hij alle zeggenschap kwijt was over zijn boek, en zo werd de woede van de schrijver gewekt. Er kwam geen reactie van De Ruyter. Dekker beklaagde bij Van Lennep, maar ook die liet niets horen. Dekker was hierover zeer ontstemd, want zo kreeg het boek zeker niet de verspreiding waarop hij gehoopt had. Eerst probeerde Dekker nog via bemiddeling een reactie te krijgen, maar ook dit leverde niets op.

De frustraties liepen hoog op, en uiteindelijk zou het tot een proces leiden, waarbij Dekker via het gerecht "rekening en verantwoording" probeerde af te dwingen. Maar dit proces werd door Multatuli in 1861 tot in hoger beroep verloren.

Ook het manuscript kreeg Dekker nooit meer terug. Dat kwam pas weer boven water bij de viering van 50 jaar Max Havelaar in 1910. Toen een nazaat van de Ruyter het vond tussen zijn papieren, en het ter beschikking stelde aan het Multatuli-genootschap in oprichting.

Er verscheen nog een tweede druk van dit boek bij de Ruyter. En ook nog een "dubbeldruk" daarvan: dat wil zeggen: een editie die op de titelpagina vermeldt de "tweede druk" te zijn, maar die verder geheel gedrukt is van nieuw handzetsel. Hoe groot de oplaag van dit boek was, is onbekend. Exemplaren van deze editie zijn gemakkelijk te herkennen aan het "lieve lezers" op pagina 1 van het boek.

Hierna werden de rechten op het boek geveild, en daarmee raakte Dekker elk recht op winstdeling op de verkoop zijn boek kwijt.

Derde druk[bewerken]

De nieuwe eigenaar, Karel Hermanus Schadd, bracht zeer snel (december 1871) een goedkope uitgave uit in een grote oplage: 5000 stuks à f2.40 ingenaaid of f2.90 gebonden. Nu was er wel de volks-uitgave, die Dekker had gewild... maar hij had geen enkele inbreng en invloed meer. Bovendien had hij geen enkele inkomsten meer uit zijn boek: de nieuwe eigenaar liet de auteur niet meedelen in de winsten gemaakt op de verkoop van het boek.

Voor deze editie werd een exemplaar gebruikt van de "dubbeldruk" van de tweede druk als "legger" of tekstbron, want ook hier is het "lieve lezers" op pagina 1 gehandhaafd. Pas in de volgende uitgaaf, die Multatuli zelf zou corrigeren, werd dit teruggedraaid.

Engelse vertaling door Nahuijs[bewerken]

Wel werd Dekker gevraagd een bijdrage te leveren aan de eerste vertaling van het boek in het Engels. Hier was het Dekker voor het eerst mogelijk de puntjes van Van Lennep te vervangen door de volledige plaats- en persoonsnamen. Daarnaast leverde Dekker een aantal noten, om de tekst voor de Engelse lezer begrijpelijk te maken.

De vertaling was gemaakt door een Nederlander: Baron Alphonse Nahuijs, die in Engeland werkte voor een telegraaf-maatschappij. Deze uitgave verscheen begin februari 1868 bij uitgeverij Edmonston & Douglas voor een prijs van 12 shilling. Vanaf 12 maart 1868 was het boek ook in Nederland te koop. Dit boek draagt als titel: Multatuli, Max Havelaar or the Coffee auctions of the Dutch Trading Company. Translated from the original manuscript by A. Nahuijs, Edinburgh, 1868.

Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat Nahuijs over het originele manuscript kon beschikken, want dat kwam pas vele decennia later -- in 1910 -- boven water bij de erven van De Ruyter. Zo bleef in deze uitgaaf bijvoorbeeld de indeling in hoofdstukken door Van Lennep gehandhaafd. De opmerking 'from the original manuscript' diende eerder om juridische procedures uit te sluiten, aangezien de rechten op vertalingen van het boek nog altijd bij Van Lennep berustten. Daarvoor was in het contract tussen Van Lennep en De Ruyter een aparte clausule opgenomen.

Vierde en vijfde druk[bewerken]

De derde druk was in minder dan anderhalf jaar vrijwel uitverkocht. Schadd verkocht voorjaar 1873 de kopij-rechten. Via een Leidse drukkers-firma kwamen de rechten uiteindelijk in handen van G.L.Funke. Deze wist uiteindelijk het vertrouwen te winnen van de auteur, en bracht samen met Dekker een "vierde - door den auteur herziene - druk" uit. Het is dan 1875. Ook financieel ging Dekker erop vooruit: hij werd voortaan betaald voor elk vel, dat hij van de drukproeven corrigeerde.

Voor het eerst kon Dekker in een Nederlandse editie proberen de ingrepen door Van Lennep terug te draaien. Alles, dat kon niet, aangezien Dekker niet de beschikking had over het handschrift. Dat zou pas in 1910 boven water komen -- lang na de dood van Dekker in 1887. Wel kon Multatuli een groot aantal noten aan de tekst toevoegen, wat de waarde van de uitgave zeer ten goede kwam.

Die noten werden nog verder aangevuld in een "vijfde - door den auteur herziene - druk". Deze uitgave verscheen in 1881 bij de nieuwe uitgeversmaatschappij Elsevier, en was daarmee ook de laatste uitgave van deze tekst tijdens het leven van Multatuli, waaraan de schrijver een bijdrage leverde.

Een uitgebreide uitleg over de uitgeef-geschiedenis van het boek is te vinden op Max Havelaar (uitgeef-geschiedenis)

Moderne herdrukken[bewerken]

In Nederland heeft het boek herdruk op herdruk beleefd. Anders dan veel ander negentiende-eeuws literair werk is het nog steeds in de winkel verkrijgbaar. De tekst in de herdrukken die men heden in de boekwinkels aantreft is soms gebaseerd op de versie van 1875, soms op het handschrift, maar steeds vaker op de vijfde druk uit 1881, de laatste door de schrijver herziene druk. Dat is met de hoofdstukindeling van Van Lennep, alle niet gecorrigeerde veranderingen, maar met de correcties en de aangevulde noten van Dekker. In die laatste druk heeft Dekker op zeer veel plaatsen nog stilistische veranderingen en aanvullingen toegevoegd aan de tekst. In de editie-wetenschap wordt daarom deze druk als de norm gezien.

Het verhaal van Saïdjah en Adinda is in een aantal losse uitgaven verschenen. Ook andere fragmenten zijn apart uitgebracht, zoals Havelaars "Toespraak tot de hoofden van Lebak". Daarnaast zijn er veel bloemlezingen waarin men teksten uit de Max Havelaar kan vinden.

De Max Havelaar is in meer dan 140 talen uitgegeven. Ook in Indonesië wordt het boek - in vertaling - veel gelezen. De naam Multatuli is voor immer verbonden met de historie van de natie.

De verfilming (Fons Rademakers, 1976) van het boek heeft ervoor gezorgd dat de roman bij een nieuw publiek weer onder de aandacht werd gebracht. In 2007 maakte toneelregisseur Ab Gietelink een toneelstuk over Max Havelaar.

Waardering in de 21e eeuw[bewerken]

In de eenentwintigste eeuw wordt Max Havelaar nog steeds gerekend tot de belangrijkste literaire werken uit de Nederlandse literatuur en nog steeds veel gelezen. Vrijwel jaarlijks verschijnen nieuwe drukken. In 2002 werd het boek door leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op plaats 1 gekozen in de Canon van de Nederlandse letterkunde. In 2007 koos het ‘Nederlandse publiek’ het boek als derde in de door NRC Handelsblad georganiseerde verkiezing van het beste Nederlandstalige boek ooit.

Bronnen[bewerken]

  • Dik van der Meulen: Multatuli, leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Sun, Amsterdam, 2002. ISBN 90 5875 202 X
  • K. ter Laan (red.: Chantal Keijsper): K. ter Laan's Multatuli-encyclopedie. SDU, Den Haag, 1995. ISBN 90 12 08181 5
  • Multatuli: Volledige werken (25 dln.). Van Oorschot, Amsterdam, 1951 - 1995.
  • A. Kets-Vree: Multatuli, Max Havelaar. Historisch kritische uitgave, deel 2: Apparaat en commentaar. Van Gorcum, Assen / Maastricht, 1992. ISBN 90 232 2690 9
  • A.L. Sötemann: De structuur van Max Havelaar (2 dln.). Wolters Noordhoff, Groningen, 1966, 2e druk 1973. ISBN 90 01 80380 6
  • E.M. Beekman: Paradijzen van weleer : koloniale literatuur uit Nederlands–Indië 1600-1950. Prometheus, Amsterdam, 1998. ISBN 90 5333 593 5

Zie ook[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Dekker aan Tine, VW-X, p. 122
  2. Dik van der Meulen, Multatuli, p. 390-e.v.
  3. vijfde druk, 1881, pagina 22 en 41
  4. Dekker aan Tine, 27 oktober 1859, VW-X, p. 89
  5. Wilhelm Meisters Lehrjahre, München, 1962, D.T.V. Goethe Gesamtausgabe 25/26, dl. II
  6. VW-I, p. 120
  7. VW-I, p. 106
  8. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 24-26
  9. Lessing, Sämtlige Schriften Bd. II, blz. 295-298
  10. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 26
  11. A. Kets-Vree, Max Havelaar, deel 2, voorwerk, p. 4
  12. Vierde druk, Max Havelaar, 1875, p. 344, Vijfde druk, 1881, p. 350, noot 1, VW-I, blz. 309
  13. G. Stuiveling, Nulde Druk
  14. De structuur van de Max Havelaar', hoofdstuk II, p. 35
  15. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, p. 36-37
  16. prof.dr. G. Stuiveling, Multatuli, Max Havelaar, naar het authentieke handschrift uitgegeven en ingeleid door dr.G.Stuiveling, 1949, Van Oorschot
  17. Dautzenberg. J. Literatuur, geschiedenis en leesdossier. Den Bosch: Malmberg, 2e druk, p. 155.
  18. Mr. I. Kisch, Het advocaten-briefje in het conflict Douwes-Dekker-Van Lennep, Raster 4 (1970-1971), p. 38-59
  19. Mr. I. Kisch, Het proces Douwes Dekker-Van Lennep, Maatstaf 11, 17e jaargang, p. 712-727, maart 1970, Arbeiderspers
  20. verschijningsdatum = datum advertentie in het Nieuwsblad voor den boekhandel
  21. Dik van der Meulen, Multatuli, 2002, p. 412: Zoals in de inleiding al bleek, heeft de eerste redacteur van de Volledige Werken, Garmt Stuiveling, ervoor gekozen Eduard Douwes Dekker vanaf 14 mei 1860, de dag dat Max Havelaar in de handel kwam, Multatuli te noemen.
  22. A. Kets-Vree, "Max Havelaar, deel 2, p. XXV
  23. A. Kets-Vree, Multatuli, Max Havelaar, deel 2, p. XLVIII

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Max Havelaar.
Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Max Havelaar op de Nederlandstalige Wikisource.