Gwijde van Brimeu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Brimeu in het Wapenboek van de Orde van het Gulden Vlies (Den Haag, KB, 76 E 10, fol. 75v)

Gwijde van Brimeu (Frans: Guy de Brimeu) ( ? 1433 - Gent, 3 april 1477) was een vooraanstaand functionaris in de Bourgondische Nederlanden. Als heer van Humbercourt is hij ook gekend als Guy de Humbercourt.

Hij was een zoon van Jan II van Brimeu uit het huis Brimeu, van wie hij de heerlijkheid Humbercourt in Picardië erfde. Hij groeide op samen met Karel de Stoute, die toen nog graaf van Charolais was. Aan het Bourgondische hof werd hij de voornaamste vertrouwensman van de latere hertog. In 1453 nam hij deel aan diens veldtocht tegen het opstandige Gent.

Voor Karel de Stoute werd hij stadhouder in Luik (1466), Namen (1468), Limburg (Overmaas) (1473) en Gelre (1473). Hij bestuurde die gebieden vanuit Maastricht.

Op 14 februari 1470 werd hij tot graaf van Megen verheven, op 9 mei 1473 werd hij opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. Van augustus 1473 tot juli 1474 was hij ook even stadhouder van Luxemburg.

In 1475 leverde hij Lodewijk van Luxemburg uit aan koning Lodewijk XI van Frankrijk, waarna die voor hoogverraad in Parijs onthoofd werd. Twee jaar later onderging Guy van Brimeu hetzelfde lot in Gent.

Terechtstelling van Willem Hugonet en Guy van Brimeu

Nadat Karel de Stoute op 5 januari 1477 bij Nancy gesneuveld was, kwam Maria van Bourgondië onder grote druk van de Staten-Generaal. De situatie in Vlaanderen raakte gespannen omdat de Franse koning Bourgondië bezet had en steden in Picardië en Artesië aanviel. In Gent was de herinnering aan de slag bij Gavere nog levend en de sfeer keerde zich tegen de Bourgondiërs en hun aanhang. Op 13 maart werd Pieter Huereblock terechtgesteld, op 14 maart Pieter Baudins, Pieter Tincke en Lodewijk Dhamers, op 17 maart Roland van Wedergate, Filips Sersanders en Olivier Degraeve. Op 26 maart begon het proces tegen enkele Bourgondische topfiguren: Willem Hugonet en naast hem ook Guy van Brimeu en Jan van Melle, schatbewaarder. De aanklacht luidde: financiële fraude en hoogverraad (ondermijning van de oude privileges). Na zware martelingen legden zij bekentenissen af. Als kersverse hertogin, en ondanks haar smeekbeden, moest Maria van Bourgondië toezien hoe haar vaders trouwe medewerkers door de Gentse Vierschaar werden veroordeeld en op de Vrijdagsmarkt in Gent onthoofd.

Brimeu werd begraven in Atrecht, waar zijn grafsteen in 1849 werd teruggevonden en die nu in het stedelijk museum van Arras bevindt.