Haggis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Haggis
Haggis
Haggis
Land Vlag van Schotland Schotland
Hoofdingrediënt(en) schapenvlees
Serveertemperatuur Warm
Gang Hoofdgerecht
Type vleesgerecht
Gegeten met koolraap en aardappelpuree
Portaal  Portaalicoon   Eten en drinken
Haggis na bereiding
Haggis, aangesneden

Haggis is een typisch Schots gerecht, maar wordt onder andere ook in Lancashire gemaakt.

Omschrijving[bewerken]

Haggis is een type vleesgerecht gemaakt van schapen-hart, long en lever, vermalen met dierlijk vet (reuzel), ui, havermout, peper, zout, kruiden en bouillon. Oorspronkelijk werden de ingrediënten in een schapenmaag gestopt voordat het geheel werd gekookt, maar tegenwoordig worden hiervoor meestal andere materialen gebruikt, net zoals bij het maken van worst. Meestal wordt haggis geserveerd met 'neeps and tatties' (Schots voor turnip en potatoes), oftewel koolraap en aardappelpuree.

Soms proberen Schotten onwetende toeristen wijs te maken dat een 'haggis' een klein, wild dier is dat in de Schotse Hooglanden woont en dat, omdat het op de heuvels leeft, twee korte en twee langere poten heeft.

De eerste vermelding van haggis is te vinden in een 15e-eeuwse tekst uit Noordwest-Engeland, Liber cure Cocorum. Hierin wordt melding gemaakt van het gerecht "hagese" met onder andere schapenhart en kruiden, wat het aannemelijk maakt dat het om hetzelfde gerecht gaat.[1]

De herkomst van haggis staat ter discussie sinds de historicus Catherine Brown het gerecht aantrof in een Engels kookboek uit het begin van de 17e eeuw, 170 jaar ouder dan het gedicht van Burns. De schrijver ervan, Gervase Markham, beweert dat haggis populair is onder alle Engelsen.[2]

Traditioneel wordt Haggis geserveerd bij het Burns Supper, een op 25 januari gehouden diner ter viering van de verjaardag van de Schotse nationale dichter Robert Burns, die ooit een ode op de haggis schreef. De haggis wordt dan onder begeleiding van doedelzakmuziek opgediend.

Address to a Haggis Ode aan de Haggis (Vertaling: Robert Sampimon)
Fair fa' your honest, sonsie face, Rein en eerlijk is jouw vrolijke gezicht,
Great chieftain o' the pudding-race!    De beste worst te zijn is jouw familie's plicht!
Aboon them a' yet tak your place, Jij hebt een ereplaats verdiend als zwaargewicht,
Painch, tripe, or thairm: Maag, pens en darm:
Weel are ye wordy o'a grace Jij verdient een gedicht
As lang's my arm. Zo lang als mijn arm.


The groaning trencher there ye fill, Het bord vul jij tot aan de rand,
Your hurdies like a distant hill, Jouw billen zijn als heuvels in het land,
Your pin wad help to mend a mill Zelfs jouw kookpen biedt de helpende hand
In time o need, In tijd van nood,
While thro your pores the dews distil Wanneer het vet vrijkomt aan jouw buitenkant
Like amber bead Dan komen amberdruppels bloot.


His knife see rustic Labour dight, Zijn mes, dat boeren arbeid heeft verricht,
An cut you up wi ready slight, Snijdt jou nu open en voor ieders aangezicht,
Trenching your gushing entrails bright, Toon jij jouw ingewanden in het volle licht,
Like onie ditch; Hier lig jij voor ons te kijk;
And then, O what a glorious sight, Oh, wat een glorieus gezicht,
Warm-reekin, rich! Warm, dampend, rijk!


Then, horn for horn, they stretch an strive: Lepeltje voor lepeltje, zo zwoegt de eter onverstoord:
Deil tak the hindmost, on they drive, De duivel jaagt zijn eetlust voort,
Till a' their weel-swall'd kytes belyve Zijn buik, het lijkt haast zelfmoord,
Are bent like drums; Is tonnetje rond; en uitgevloerd,
The auld Guidman, maist like to rive, Hoor je hoe de gastheer, door oprispingen aangespoord,
Bethankit' hums. Zijn dankgebedje boert.


Is there that owre his French ragout, Van ragout ben ik al lang geleden afgehaakt,
Or olio that wad staw a sow, Of stoofpot, wat zelfs mijn zeug nog misselijk maakt,
Or fricassee wad mak her spew Of fricassée, waarvan haar maag van streek geraakt
Wi perfect scunner, Met vileine afkeer,
Looks down wi sneering, scornfu view alsof het reeds is uitgebraakt,
On sic a dinner? Kijkt zij op zo'n maaltijd neer.


Poor devil! see him owre his trash, Die arme sloeber! Zie hem daar zitten boven een bord met drab,
As feckless as a wither'd rash, Zo wee als aangemaakte turf pap.
His spindle shank a guid whip-lash, Zijn benen zijn dun, zijn armen slap,
His nieve a nit; Zijn vuisten, niets meer dan stompjes.
Thro bloody flood or field to dash, Op het slagveld, daar is hij pas echt een grap,
O how unfit! Oh, wat is hij sloompjes!


But mark the Rustic, haggis-fed, Maar zie hier de man die met haggis is gevoed,
The trembling earth resounds his tread, De aarde beeft als hij stampt met zijn voet.
Clap in his walie nieve a blade, Geef hem een zwaard, hij vecht tot in den doet
He'll make it whissle; Hij zwaait het fluitend in het rond,
An legs an arms, an heads will sned, En benen en armen en hoofden rollen onder het bloed,
Like taps o thrissle. Weerloos op de grond.


Ye Pow'rs, wha mak mankind your care, Jouw krachten, die de mensheid dienen, zijn zo mooi,
And dish them out their bill o fare, Dis ze op, win ieder culinair tournooi,
Auld Scotland wants nae skinking ware Schotten willen geen waterzooi
That jaups in luggies: dat spettert op hun borden.
But, if ye wish her gratefu prayer, Dus aan het eind van mijn pleidooi bid ik:
Gie her a Haggis! Laat al het eten Haggis worden!



Onderstaand een vertaling van het hele gedicht om de Schotse tekst begrijpbaar te maken:
Toespraak voor een Haggis

1. (Het begroeten van de Haggis)
Gegroet eerlijke en aanlokkelijke verschijning,
Grote leider van het worstenras!
Jij bent boven hen allemaal verheven,
Maag, pens of darm;
Je bent zeker een dankzegging waard
Zo lang als mijn arm.

2. (Eerbetoon aan het uiterlijk)
Je ligt daar op die kreunende schaal,
Je achterste lijkt wel een verre heuvel,
Met je vleespen zou je een molen kunnen repareren
Mocht dat nodig zijn,
En door je poriën verschijnen als dauw
Amberkleurige druppels

3. (De Haggis wordt aangesneden)
Het mes wordt vakkundig afgeveegd,
En snijdt je gemakkelijk in stukken,
Je vochtige woeste ingewanden worden blootgelegd,
Als een gegraven sloot;
En dan: O wat een geweldig gezicht,
Warmdampend en kostelijk!

4. (Een denkbeeldige groep eters verslindt de Haggis)
Dan rijkt men lepel voor lepel al strijdend met elkaar;
De langzaamste krijgt het laatste stuk, zo gaan ze door,
Totdat hun buiken zodanig zijn opgezwollen
Dat ze zo strak staan als drums;
Het oude hoofd aan tafel, die het meest op springen staat,
Stamelt dan het dankwoord voor de maal.

5. (Kleineren van vergelijkbare gerechten)
Is het mogelijk dat iemand die Franse ragout eet,
Of Spaanse goulash, waarvan zelfs een zeug moet boeren,
Of een Fricassee schotel, om te kotsen,
Met volslagen walging zou kunnen neerkijken
Op zo’n geweldig maal?

6. (Kleineren van degenen die andere gerechten eten)
Arme sloeber, zie hem boven z'n troep,
Zwak als een verdorde rietstengel,
Z’n beentjes zo dun als het uiteinde van een zweep,
Z’n vuist zo klein als een hazelnoot;
Totaal ongeschikt voor woeste acties,
Op slagvelden ter zee of op het land

7. (Eerbetoon aan de Haggis-eters)
Kijk dan eens naar de plattelander die Haggis eet,
De aarde beeft als hij er over loopt,
Geef hem een mes in z’n machtige vuist,
Hij zal het laten suizen;
En benen en armen en hoofden afhakken,
Net zo gemakkelijk als het toppen van distels

8. (De goden worden gevraagd Schotland Haggis te blijven geven)
Jullie krachten, die over de mensheid waken,
En hen van voedsel voorzien,
Het aloude Schotland wil geen waterig spul
Dat ronddrijft in kleine bordjes;
Maar, als jullie dankbare gebeden willen,
Geef haar [Schotland] dan een Haggis!

Vertaling: Peter van den Berg, 14-1-14

Noten[bewerken]