Hubert van Eyck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze figuur uit De rechtvaardige rechters werd in de 16e eeuw beschouwd als een portret van Hubert van Eyck.
Grafsteen van Hubert van Eyck

Hubert van Eyck, ook Huybrecht (Maaseik?, ca. 1366[1]Gent, 18 september 1426) was een Zuid-Nederlands schilder en de oudere broer van Jan van Eyck. Hij had een nog jongere broer en zus, Lambert en Margareta.[2]

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Hubert was het oudste lid van de schildersfamilie Van Eyck. Er blijft onzekerheid omtrent zijn geboorteplaats. Maaseik wordt algemeen vooropgesteld voor het middeleeuwse Eyck, in het Maasland, toen deel van het prinsbisdom Luik. Het standbeeld van de broers Jan en Hubert staat er op de markt. De precieze geboortedatum van Hubert van Eyck is ook niet bekend. Het jaar van overlijden staat wel vast, al wordt zowel 18 augustus, als 18 september genoemd als dag van overlijden.

Karel van Mander schreef in 1604 dat Hubert rond 1366 werd geboren, zonder te vermelden waarop hij zich baseert. Zijn grafsteen (zie verder) vermeldt noch geboortedatum, noch leeftijd. Enkel in Gent wordt Hubert vermeld. De vraag blijft onbeantwoord of hij in 1413 al in Gent woonde. Dat jaar overleed Jan de Visch, heer van Axel (niet zo ver van Gent), eigenaar van een van zijn schilderijen.

Op het feest van Sint-Bavo op 1 oktober, in 1412 of 1422, werd Hubert lid van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw op de Rade. Dit broederschap had een kapel in de vroegere Sint-Janskerk (nu Sint-Baafskathedraal). Hij werd betaald voor twee ontwerpen voor een schilderij, in opdracht van Gentse schepenen. Toen zij zijn atelier bezochten, kreeg zijn personeel een fooi.

In het testament van Robrecht Poortier en zijn vrouw Avezoete sHoeghen vroegen zij om begraven te worden in een kapel van de Heilige Kerstkerk te Gent. Op het altaar moest een beelde van Sint-Antonius worden geplaatst dat zich in het atelier van Hubert bevond, hoogstwaarschijnlijk om te worden gepolychromeerd. Hij stierf wellicht door ziekte, gezien zijn grafschrift met pynen vermeldt.[3]

Zijn oeuvre[bewerken | brontekst bewerken]

Het schilderij De drie Maria's aan het graf is te zien in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Het Lam Gods schilderde hij samen met zijn jongere broer Jan van Eyck. Het was Hubert die de opdracht kreeg en het veelluik begon. Een aantal jaren na zijn dood heeft zijn broer het afgewerkt (1430-1432). In de loop van de 15e eeuw werd op het altaarstuk een kwatrijn met chronogram aangebracht dat de bijdrage van Hubert eerde:

Pictor Hubertus e Eyck . maior quo nemo repertus   De schilder Hubert van Eyck, een groter heeft niet bestaan,
Incepit . pondus . q[ue] Johannes arte secundus   heeft dit werk aangevat en zijn broer Jan, de tweede in de kunst,
[Frater] perfecit. Judoci Vijd prece fretus   heeft de zware taak voltooid op verzoek van Judocus Vijd.
VersU seXta MaI . Vos CoLLoCat aCta tUerI   Deze verzoekt u door dit vers zorg te dragen voor wat tot stand kwam op 6 mei.

Graf[bewerken | brontekst bewerken]

Hubert van Eyck overleed terwijl hij in Gent aan het Lam Gods werkte en is vermoedelijk begraven in de crypte van de Vijdkapel, waar zijn werk moest komen. De humanist Hiëronymus Münzer bezocht de plek in 1495 en maakte melding van een grafsteen voor het altaar. Ook Lucas de Heere vermeldde de steen in 1559 en volgens Marcus van Vaernewijck (1565) kon men erop staan. De afgesleten grafsteen is bewaard in het Museum voor Stenen Voorwerpen. Al sinds de Gentse republiek is de koperen plaat eruit verdwenen, maar dankzij Van Vaernewijck en zijn Spieghel der Nederlandscher Audheyt uit 1568 kennen we het opschrift:

Spieghelt u an my, die op my treden.
Ick was als ghy, nu bem beneden
Begraven doot, alst is anschyne.
Mij ne halp raet, const, noch medicine,
Const, eer, wijsheyt, macht, rijcheyt groot
Is onghespaert, als comt die doot.
Hubrecht van Eyck was ick ghenant,
Nu spyse der wormen, voormaels bekant,
In schilderye zeer hooghe gheeert:
Cort na was yet, in nieute verkeert.
Int iaer des Heeren des sijt ghewes
Duysent vier hondert twintich en zes,
In de maent September, achthien daghen viel,
Dat ick met pynen God gaf mijn ziel.
Bidt God voor my die Const minnen,
Dat ick zijn aensicht moet ghewinnen.
En vliedt zonde, keert U ten besten
Want ghy my volghen moet ten lesten.

Deze eerbewijzen waren uitzonderlijk voor die tijd en wijzen erop dat Hubert van Eyck door zijn tijdgenoten niet gewoon werd beschouwd als een ambachtsman, maar als een kunstenaar.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Voetnoten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Dit is het geboortejaar opgegeven door Karel van Mander in 1606. Tegenwoordig neigt men naar 1385 en later.
  2. (nl) Wie is Jan van Eyck? | Van Eyck. Een optische revolutie | MSK Gent. Van Eyck. Geraadpleegd op 20 maart 2020.
  3. Van Eyck : een optische revolutie. Hannibal, [Veurne] ([2020]). ISBN 978-94-6388-733-5.
Zie de categorie Hubert van Eyck van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.