Johan Adriaan Feith

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Portret van Johan Adriaan Feith (circa 1900)
Het Feithhuis aan het Martinikerkhof in Groningen, waar Feith jarenlang met zijn familie woonde (2012)

Johan Adriaan Feith (Groningen, 25 september 1858 - aldaar, 28 januari 1913) was een Nederlandse jurist en historicus. Hij heeft veel gepubliceerd over de geschiedenis van Groningen.

Familie[bewerken]

Feith werd bij Koninklijk Besluit van 5 juni 1905, No. 78, in de adelstand verheven waardoor hij en zijn nakomelingen met het predicaat van jonkheer/jonkvrouw verkregen.

De familie Feith behoorde tot de rijkste Groningers, de "hoogstaangeslagenen" in de personele belasting, en gingen in 1890 in de Sint Jansstraat wonen tegenover de Martinikerk, sinds 1994 het Feithhuis genoemd, een café-restaurant.

Feith was de zoon van Hendrik Octavius Feith, archivaris, en Wilhelmina Woltera Dull. Hij huwde op 25 juni 1885 met jkvr. Henriette Pauline Gockinga (1856-1935). Uit dit huwelijk werden twee zoons en twee dochters geboren. Een van de dochters had tuberculose. De vorige bewoner achter het huis aan het Martinikerkhof een Zwitsers chalet gebouwd, hetgeen Feith goed uitkwam in verband met zijn dochter. Het bouwsel herinnerde het zieke kind aan de bergen waar zij door haar ziekte niet heen kon reizen.

Loopbaan[bewerken]

Feith doorliep het Praedinius Gymnasium in Groningen. Hij studeerde rechten en was een zeer actief lid van het Studentencorps Vindicat Atque Polit in Groningen. Het corps maakte hem later tot erelid.

De jonge Feith was een organisator van de maskerade van 1879 ter gelegenheid van twaalfde lustrum van het Corps. In 1885 haalde hij zijn doctoraal examen. Zoals in die tijd gebruikelijk promoveerde hij op dezelfde dag, niet op stellingen maar op een gedegen dissertatie over "het gericht van Selwerd" tot doctor in de rechtsgeleerdheid. De promotor was prof. mr. J. Domela Nieuwenhuis. De familie was vermogend maar de jonge Feith koos ervoor om ambtenaar in het archief te worden waarbij hij onder zijn vader ging werken. In 1887 werd hij commieschartermeester en in 1892, als opvolger van zijn vader, rijksarchivaris in Groningen.

Aan het eind van de 19e eeuw werden de archieven in Nederland gereorganiseerd. De verspreide archieven van Groninger families en waterschappen werden door Feith in het rijksarchief opgenomen. Bij burgemeester en wethouders wees Feith op de wenselijkheid van een apart gemeentearchief zoals dat in Groningen nog niet bestond. Feith brak met de werkwijze van zijn vader door de gebruikelijke chronologische indeling te vervangen door een systematische indeling van de archiefstukken. Het standaardwerk "Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven" dat hij samen met Samuel Muller Fz. en Robert Fruin Th.Azn schreef, werd in vele talen vertaald en het maakte hen, tenminste in kringen van archivarissen en bibliothecarissen, wereldberoemd. Feith was in 1891 een oprichter van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland (VAN) en het Gronings Museum van Oudheden. Hij schreef ieder jaar in de Groninger Volksalmanak.

Feith was ook geïnteresseerd in de archeologie. Hij spoorde de student geschiedenis Albert Egges van Giffen aan om archeoloog te worden en de Groninger wierden wetenschappelijk te onderzoeken.

Feith was ook liberaal lid van de Groningse gemeenteraad en van de Provinciale Staten van Groningen. Een kandidatuur voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer wees hij van de hand. Feith was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Het graf van J.A. Feith op de Zuiderbegraafplaats in Groningen (2011)

In 1905 ging Feith lijden aan een hartkwaal. Na een lang ziekteverlof ging hij in 1913 weer aan het werk maar hij stierf onverwacht in de werkkamer van het archief.Johan Adriaan Feith werd bijgezet in het familiegraf op de Zuiderbegraafplaats in Groningen (Rang I, Klasse I) waar zijn graf ook in 2017 nog te vinden is.

Feiths karakter werd als "bescheiden en beminnelijk" omschreven[1].

Postuum eerbetoon[bewerken]

De Gemeente Groningen vernoemde de J.A. Feithstraat naar hem.

Literatuur[bewerken]

  • Gratama, S.. Levensbericht van Jhr. Mr. Johan Adriaan Feith. - Leiden, 1913. - 29 p. Overdr. uit: Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden, 1912-1913, p. 145-173.
  • Muller Fz., S.. In: Nederlandsch Archievenblad, 21(1912-1913), p. 103-106
  • Huizinga, J. In: Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 2e serie 6 (1913) 41^3
  • Blok, P.J. In memoriam. In: Groningsche Volksalmanak voor het jaar 1914, p. 1-13.

Publicaties van Johan Adriaan Feith[bewerken]

  • Het gericht van Selwerd : bijdrage tot de vaderlandsche rechtsgeschiedenis / Johan Adriaan Feith. - Groningen : Huber, 1885. - VIII, 215 p. Proefschrift Groningen.
  • De kroniek van Sicke Benninge : 1e en 2e deel (kroniek van van Lemego) / uitg. en met kritische aant. voorz. door J.A. Feith ; met eene inl. van P.J. Blok. - Utrecht : Kemink, 1887. - LVIII, 183 p. - (Werken van het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht ; Nieuwe serie, no. 48).
  • De Ommelander Borgen en hare bewoners in de zeventiende en achttiende eeuw / door J.A. Feith. - Groningen : Wolters, 1906. - 184 p., 4 bl. pl. Ook beschikbaar in microvorm. Fotomechanische herdr.: - Groningen : Foresta, 1979.
  • Wandelingen door het oude Groningen / J.A. Feith. - Groningen : Foresta, ca. 1978. - 445 p. Fotomech. herdr. van artikelen oorspronkelijk verschenen in de Groningsche Volksalmanakken van 1891 tot 1908.
  • Bijdragen in: Oorkondenboek van Groningen en Drente / bew. door P.J. Blok ... et al. - Groningen : Wolters, 1896-1899. - 2 dl. (VIII, 440 ; IV, 524 p.). : 12 pl. met afb. van zegels. ; Oorspr. versch. in afleveringen vanaf 1895 o.d.t.: Oorkondenboek van Groningen en Drenthe.
  • De kroniek van Abel Eppens tho Equart / uitg. en met kritische aant. voorz. door J.A. Feith en H. Brugmans. - Amsterdam : Müller, 1911. - 2 dl. ; - (Werken / uitg. door het Historisch Genootschap (gevestigd te Utrecht) ; 3e serie, no. 27-28). Reg. in dl. 2. (Kroniek van een ommelander boer uit de zestiende eeuw).
  • Rijder- en leeuwengrooten van Koevorden en Selwerd in Tijdschrift voor Munt- en Penningkunde 1 (1893) pp. 142-159
  • diverse bijdragen in de Provinciale Groninger Courant