Johan Christiaan Dijxhoorn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Johan Christiaan Dijxhoorn
J.C. Dijxhoorn door Bram Gips, 1924
Persoonlijke gegevens
Volledige naam Johan Christiaan Dijxhoorn
Geboortedatum 24 februari 1862
Geboorteplaats Rotterdam
Overlijdensdatum 21 mei 1941
Overlijdensplaats 's-Gravenhage
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Werkzaamheden
Vakgebied Civiele techniek
Universiteit Technische Universiteit Delft
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

Johan Christiaan Dijxhoorn (Rotterdam, 24 februari 1862's-Gravenhage, 21 mei 1941) was een Nederlands werktuigbouwkundig ingenieur, hoogleraar en rector magnificus aan de Technische Hogeschool te Delft, en lid van de Provinciale Staten.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Dijxhoorn was een zoon van Carel Dirk Hendrik Dijxhoorn (1817-1874) en Adriana Quirina Hendrika Kolff (1822-1882).[1] Hij volgde een opleiding tot werktuigbouwkundig ingenieur aan de Polytechnische School te Delft, waar hij in 1883 zijn diploma behaalde.[2]

Rond 1885 begon hij zijn carrière bij enige machinefabrieken in binnen- en buitenland, waar hij zich opwerkte tot in de functie van directeur. Op het laatste werkte hij op het Etablissement Fijenoord, een scheepswerf en machinefabriek gevestigd op het eiland Fijenoord, voor hij in 1899 werd aangesteld als professor in de werktuigbouwkunde aan de Polytechnische School te Delft als opvolger van Adrien Huet.[2] In 1905 ging de Polytechnische School op in de Technische Hogeschool, en van 1916 tot 1919 was Dijxhoorn hier rector magnificus, als opvolger van Willem Karel Behrens.[3]

Dijxhoorn was verder lid van de Provinciale Staten. In 1931 werd hij benoemd tot erelid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI).

Nadat het Cruquius stoomgemaal in de Haarlemmermeer werd stilgelegd in 1933, zette hij zich in voor behoud van het complex als industrieel monument. Hiertoe schreef hij ook een boek over de werktuigen van het gemaal.[3]

Werk[bewerken | brontekst bewerken]

Werktuigbouwkunde aan de Polytechnische School te Delft[bewerken | brontekst bewerken]

Naast Dijxhoorn waren er rond de eeuwwisseling twee andere hoogleraren in de Werktuigbouw aangesteld aan de Polytechnische School te Delft. Dit waren de spoorwegingenieur Isaac Franco (1868-1930), zelf afgestudeerd in Delft in 1890, en C.P. Holst Gzn. (1851-1928), een ingenieur uit de industrie. Zij waren in de plaats gekomen van de overleden professor Adrien Huet en de vertrokken professor J. Grundel.[4] Ze werden belast met het onderwijs in de kennis der werktuigen.[2]

Twintig jaar later, in 1920, waren er zestien hoogleraren in de faculteit der werktuigbouwkunde en scheepsbouw. Van de zestien waren er acht voor werktuigbouwkunde. Naast de oudgedienden Dijxhoorn en C. P. Hoist Gzn. waren dit Jacob Cornelis Andriessen, G. Brouwer, A.D.F.W. Lichtenbelt, P. Meyer, Frans Westendorp (spoorwegmateriaal, hefwerktuigen en transportinrichtingen), en C. M. van Wijngaarden.[5]

Publicaties[bewerken | brontekst bewerken]

  • De werktuigen van het stoomgemaal Cruquius van de Haarlemmermeer (1933)
  • "Vermaarde constructeurs van scheepsmachines in Nederland 1825-1925," in: De Ingenieur 52 (1937), W 22-24.
Voorganger:
Willem Karel Behrens
Rector magnificus van de Technische Universiteit Delft
1916-1919
Opvolger:
Marc de Haas