Stork (bedrijf)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stork
Oprichting Borne, Nederland in 1865
Oprichter(s) Charles Theodorus Stork
Sleutelfiguren (voorzitter raad van bestuur)
Arnold Steenbakker (CEO sinds 1 juli 2013)
Hoofdkantoor Van Deventerlaan 121
3528 AG Utrecht
Werknemers 16.500 (21-12-2015)
Producten Technische diensten, industrieel onderhoud en onderhoudsmanagement
Omzet € 1.441 miljoen (2013)
Website (en) www.stork.com
Portaal  Portaalicoon   Economie
Deel van het complex van de Koninklijke Machinefabriek Stork & Co te Hengelo (O) in 1997

Stork, opgericht in 1865, is een in Nederland gevestigd bedrijf met het hoofdkantoor in Utrecht.

In 2012 werden Fokker Technologies en Stork Technical Services losgekoppeld. Beide bedrijven hebben een eigen raad van bestuur en opereren zelfstandig. Stork richt zich voornamelijk op het leveren van technische diensten aan de sectoren olie en gas, chemie en power.

Stork was sinds begin 2008 eigendom van een Britse aandeelhouder, het investeringsbedrijf Arle Capital. Daarvoor waren de aandelen Stork genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs. In 2015 heeft Arle Capital beide onderdelen verkocht. Het Fokker-deel werd verkocht aan het Britse GKN en Stork aan Fluor.

Geschiedenis[bewerken]

Begin[bewerken]

Stork werd in 1865 te Borne opgericht als de machinefabriek Gebr. Stork & Co. In 1868 verplaatste Charles Theodorus Stork (1822-1895) het bedrijf naar Hengelo. Hij werkte daar samen met zijn broer Jurriaan Engelbert Stork (1828-1893) en zijn zwager Hendrik Jan Ekker (1830-1896). De voorloper van dit bedrijf was de in 1859 opgerichte ijzergieterij annex machinereparatiewerkplaats Stork, Meyling & Co. in Borne. Daar werkte de plaatselijke smid/werktuigbouwkundige Jan Meyling samen met Coenraad Craan Stork, een jongere broer van Charles. Coenraad overleed echter in 1863. Charles Stork was al jaren daarvoor, in 1835 (op dertienjarige leeftijd), zijn carrière begonnen als industrieel met de Weefgoederenfabrique C.T. Stork & Co. in Oldenzaal. In 1893 namen de zonen Dirk Willem (1855-1928), Hendrik Casper (1857-1934) en Coenraad Frederik Stork (1865-1934) de leiding van de machinefabriek over.

Het bedrijf stond bekend als sociaal en innovatief. Men begon met reparatiewerkzaamheden, maar bouwde ook wel nieuwe machines voor de textielindustrie; stoommachines die spin- en weefmachines aandreven. De Twentse textielindustrie was echter minder innovatief en Stork moest naar nieuwe markten uitzien. Men fabriceerde scheepsstoomketels en stoommachines voor gemalen. Op de Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs werd Stork's horizontale compound-stoommachine bekroond en kwam een internationale orderstroom op gang. De sterk opkomende rietsuikerindustrie op Java bood een veelbelovende nieuwe markt, waarop Stork vanaf 1883 actief werd. In 1910 vond de eerste levering van machinerieën aan Cuba plaats, hét rietsuikerland bij uitstek. Vanaf 1898 werden in een aparte vennootschap hijswerktuigen gefabriceerd. Verder was Stork vanaf eind 19e eeuw als leverancier én als mede-financier nauw betrokken bij de opkomst van elektriciteitsproducenten, zoals bij het Twentsch Centraal Station (1901), de Mij. tot verkoop van Electrische Stroom der Staatsmijnen (1908) en de Kennemer Electriciteitsmaatschappij.

Vanaf 1880 bouwde Stork een net van dealers op in heel Nederland die als installeurs en als regionale vertegenwoordigers van vooral de stoominstallaties dienden. Voorbeelden zijn de fa. Duintjer te Wildervank, W. Hubert & Co. te Sneek, P.M. Duyvis & Co. te Zaandam en M. Peskens te Helmond. Verder waren de firmanten - soms afzonderlijk, soms met meerderen - financieel betrokken bij diverse Nederlandse machine- en scheepsbouwbedrijven en technische handels- en installatiebedrijven. Vooral de belangen in Th. Figee & Co. (1889 werf Conrad) en het in 1891 opgerichte Werkspoor zijn vermeldenswaardig. Dirk en Coen Stork waren in 1918 betrokken bij de oprichting van Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken (het huidige Tata Steel Europe).

In 1881 richtte het bedrijf het eerste bedrijfspensioenfonds van Nederland op.

Expansie[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog kende Stork een periode van bloei, maar in de jaren dertig stortte de wereldeconomie in, hetgeen resulteerde in ontslagen, loonsverlagingen en werktijdverkortingen. Het bedrijf was een conglomeraat; er werden hijskranen, baggermolens en zeesleepboten gemaakt, maar ook levensmiddelenproductiemachines en pompen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden 500 arbeiders van Stork door de bezetter als dwangarbeiders in Duitsland te werk gesteld. Na de bevrijding bracht de wederopbouw een periode van groei. Stork had op een gegeven moment 6000 mensen in dienst. Toch werd het te klein bevonden. Daarom fuseerde Stork in 1954 met Werkspoor in Amsterdam. De combinatie ging Verenigde Machinefabrieken (VMF) heten en telde 10.000 werknemers. Het bedrijf was sterk in de zware kapitaalgoederen, wat een kwetsbare sector bleek toen de periode van de wederopbouw afgesloten was. Daarnaast werden onder meer een sterilisatiesysteem voor verpakte zuivel en een textieldrukmachine op de markt gebracht. In 1957 kwam er een order voor onderdelen voor de proefreactor te Petten. In 1959 werd Beijnes overgenomen, een fabrikant van rollend materieel.

Stagnatie[bewerken]

In de jaren zestig ging het slecht met VMF. Bij Werkspoor vielen massaontslagen: 1900 mensen kwamen op straat te staan. Toch werden er intussen ook bedrijven overgenomen, en wel Machinefabriek Hensen (hijskranen) in 1965, Wiericke (pluimveeslachtmachines) en Kromhout in Amsterdam-Noord in 1966. In 1968 werd Bronswerk overgenomen, een onderdeel van de failliete scheepswerf Wilton-Fijenoord. Dit bedrijf was gericht op technische dienstverlening, zoals het technisch onderhoud van olie- en gasinstallaties. In datzelfde jaar ging VMF verder onder de naam Verenigde Machinefabrieken-Stork.

In 1969 leed het bedrijf voor het eerst verlies. De productie van dieselmotoren en treinstellen werd daarop afgestoten. In 1971 werd weer winst gemaakt, maar de vooruitzichten voor de zware kapitaalgoederen waren somber, en de Hengelose vestiging werd gereorganiseerd. Daarna wilde de directie ook de gieterijen in Hengelo en Utrecht sluiten. Na verzet van de arbeiders werden ze met overheidssteun opengehouden. Men probeerde de malaise nog tegen te gaan door exportorders voor het machinepark van complete fabrieken af te sluiten met onder meer Maleisië, China en de Sovjet-Unie.

Ondergang van de zware industrie[bewerken]

Ondertussen werd er sterk gesaneerd, waarbij het aantal arbeiders terugliep van 26.000 in 1968 tot 12.000 in 1983. Stork maakte een omwenteling door, waarbij overgeschakeld werd van zware investeringsgoederen naar lichtere sectoren en werd in 1981 weer winstgevend. In dit kader kan de overname in 1989 van Nolte worden gezien, een Eindhovens bedrijf dat onder meer verlichtingsinstallaties maakte en dat later weer aan de VDL Groep werd doorverkocht. Verder werd in 1994 het ingenieursbureau Comprimo overgenomen. In 1996 kreeg Stork een lucht- en ruimtevaartdivisie door de overname van Fokker Aviation, bestaande uit vier gezonde onderdelen van het failliete Fokker, dat onder meer de Fokker-vliegtuigen moest onderhouden en ook vliegtuigonderdelen produceert. Intussen was in 1992 de bedrijfsnaam Verenigde Machinefabrieken-Stork weer gewijzigd in Stork.

In 2007 had Stork 13300 medewerkers in dienst en kende het de volgende divisies:

  • Textieldrukmachines (Stork Prints) (later gedeeltelijk verkocht)
  • Kippenslachtmachines (Stork Food Systems)
  • Lucht- en ruimtevaartdivisie (Fokker Aerospace Group)
  • Technische dienstverlening (Stork Industry Services)

Einde van het conglomeraat[bewerken]

In 2006 en 2007 hebben twee activistische hedge fondsen, Centaurus en Paulson, gepleit voor opsplitsing van Stork. Het bestuur ging hier niet op in, en uiteindelijk deed het investeringsfonds Candover een bod op de aandelen. Candover bood 47 euro per aandeel ofwel 1,5 miljard euro in totaal.[1] Candover had toegezegd het bijna twee eeuwen oude concern minimaal twee jaar intact te laten en dat de overname geen negatieve gevolgen had voor de werkgelegenheid bij het bedrijf.[1] Stork zelf verkocht eerder in 2007 de divisie textielprintmachines en in 2006 werd de onderhoudsdivisie verkocht aan bouwbedrijf Strukton.[1] Op 28 november 2007 werd bekend dat Stork van de beurs zou verdwijnen. De divisie voor kippenslachtmachines werd verkocht aan het IJslandse bedrijf Marel, terwijl Candover met de divisies Aerospace en Technical Services zou doorgaan. Marel en Stork Food Systems werkten al negen jaar nauw samen op het gebied van technologie en in december 2005 had Marel al interesse getoond om dat deel van Stork over te nemen.[2] In 2010 nam Stork B.V. de RigBlast Group Ltd (RBG) over, een bedrijf gevestigd in Aberdeen dat actief is in de offshore olie- en gasbusiness. Met deze overname veranderde Stork B.V. ook haar naam in Stork Technical Services. In april 2011 verkocht Candover het Stork belang aan het Britse investeringsfonds Arle Capital.

Sinds januari 2012 zijn Stork Technical Services en Fokker Technologies gescheiden entiteiten. Beide bedrijven hebben een eigen raad van bestuur.

In juli 2015 maakte de Britse toeleverancier aan de luchtvaartindustrie GKN bekend Fokker Technologies over te willen nemen van Arle Capital.[3] GKN betaalt hiervoor 706 miljoen euro.[3] Na de overname blijft het hoofdkantoor van Fokker in Nederland en ook de naam blijft. Fokker telt bijna 5000 medewerkers en heeft vestigingen in Europa, Noord-Amerika en Azië.[3] In 2014 realiseerde het een omzet van 758 miljoen euro met het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van lichtgewicht vliegtuigonderdelen en onderhoud, reparatie en logistieke diensten voor luchtvaartmaatschappijen.[3] GKN is groter en is naast de luchtvaart ook actief in de auto-industrie. Het bedrijf heeft vestigingen in meer dan dertig landen, ruim 12.000 werknemers en behaalde een omzet van 3,1 miljard euro in 2014.[3]

In december 2015 werd Stork Technical Services, het onderdeel dat actief is met het onderhoud van industriële installaties in de olie- en gasindustrie, verkocht.[4] De koper, het Amerikaanse ingenieurs- en bouwbedrijf Fluor, betaalt 695 miljoen euro.[4] Na de koop voegt Fluor de eigen divisie Operations & Maintenance met 4000 medewerkers toe aan Stork.[4] Het uitgebreide Stork telt dan 19.000 werknemers en behaalt een jaaromzet van 2,1 miljard euro.[4] Het hoofdkantoor van de nieuwe onderneming blijft in Nederland.[4]

Met deze transacties heeft Arle Capital Partners alle onderdelen van het vroegere Stork-conglomeraat verkocht.

Medezeggenschap[bewerken]

De tweede kern (een vroege vorm van medezeggenschap van werknemers) werd bij Stork in 1883 opgericht, nadat de eerste was ontstaan bij de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (in Delft in 1878).

Externe links[bewerken]