Werkspoor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Werkspoor N.V.
Werkspoormotor.jpg
Oprichting 1828
Opheffing 1989
Oorzaak einde gebrek aan orders
Oprichter(s) Paul van Vlissingen, Abraham Dudok van Heel
Hoofdkantoor Amsterdam, Zuilen (Utrecht)
Producten machines, rollend materieel
Portaal  Portaalicoon   Economie
Bioscoopjournaal uit 1951. Bij Werkspoor te Utrecht worden in 1951 de eerste elektrische locomotieven gebouwd van de 1200-serie.
Paul van Vlissingen (1797-1876), olieverfschilderij van Jan Braet von Überfeldt.

Werkspoor N.V., de verkorte en later de officiële handelsnaam van de Koninklijke Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel, was een Nederlandse machinefabriek, bekend door onder meer (scheeps)stoommachines, motoren en rollend materieel. Het bedrijf is in 1828 opgericht door Paul van Vlissingen (1797-1876) en Abraham Dudok van Heel (1802-1873) met steun van koning Willem I.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan en groei[bewerken]

Het bedrijf, oorspronkelijk gevestigd in Amsterdam (Oostenburg), was al opgericht in 1826 door Paul van Vlissingen als een reparatiewerkplaats voor stoommachines voor de Amsterdamse Stoombootmaatschappij, waarvan hij medeoprichter was. In 1827 werd een voormalige rokerij van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie gehuurd om uit te breiden. Nadat Abraham Dudok van Heel in 1828 compagnon was geworden, kreeg het bedrijf de naam Fabriek van Stoom- en Andere Werktuigen, onder de firma Van Vlissingen & Dudok van Heel.

Omstreeks 1850 was Werkspoor de grootste machinefabriek van Nederland. Het bedrijf telde toen circa 1000 werknemers. Men vervaardigde er onder meer stoommachines, stoomketels en machinerieën voor de suikerindustrie, en van 1843 tot 1846 ook enkele stoomlocomotieven. In 1850 werden enkele stoomsleepboten gebouwd bestemd voor Egypte.[1] In deze periode werd aan de fabriek het predicaat Koninklijk verleend. Het bedrijf was mede afhankelijk van regeringsorders. In 1871 werd de onderneming gereorganiseerd, omdat men in financiële problemen was geraakt bij de bouw van de Moerdijkbrug. Het nieuwe bedrijf, een naamloze vennootschap, kreeg de naam Koninklijke Fabriek van Stoom- en andere Werktuigen. Rond 1890 kwam ook dit bedrijf in moeilijkheden. Het werd vanaf 1891 voortgezet met financiële hulp van de machinefabriek Stork als Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en spoorwegmaterieel.

Expansie[bewerken]

De vervaardiging van dit laatste product beperkte zich aanvankelijk tot spoorwagons en dergelijke, maar in 1897 kreeg het bedrijf een order van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij voor 40 locomotieven naast 400 goederenwagons. Daartoe werden in 1897 op Oostenburg drie grote fabriekshallen gebouwd (zie foto), ontworpen door de architect A.L. van Gendt. Naast deze productie van rollend materieel bleef Werkspoor ook actief op het gebied van de scheepsmachinerieën en vervaardigde het bedrijf in 1910 de eerste dieselmotor voor een zeegaand schip, de Vulcanus, in opdracht van de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Verder nam men begin 20e eeuw de productie van koelmachines ter hand, als licentiehouder van de firma Linde.

In 1913 verhuisde de fabricage van spoorrijtuigen en staalconstructies naar het industrieterrein Lage Weide in Nieuw Zuilen, tegenwoordig een subwijk in Utrecht. Een nieuw fabriekscomplex (waar in de hoogtijdagen bijna 6000 arbeidsplaatsen ontstonden) verrees daar en ter huisvesting is Nieuw-Zuilen met o.a. de wijken Elinkwijk en de De Lessepsbuurt ontstaan. In Utrecht zijn enkele beroemde bruggen gebouwd, zoals de Waalbrug bij Nijmegen, de Bommelse Brug bij Zaltbommel, en de Moerdijkbrug.

In 1929 werd het telegramadres Werkspoor de officiële naam van het bedrijf.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

In de eerste jaren na de bevrijding had Werkspoor veel werk aan het herstel van beschadigd Nederlands spoor- en tramwegmaterieel. Ook werden ten behoeve van de Nederlandse Spoorwegen vele locomotieven, spoorwegrijtuigen en treinstellen gebouwd. Deze orders moesten in veel gevallen gedeeld worden met de andere Nederlandse spoorwegindustrieën Beijnes en Allan. Door de onafhankelijkheid van Indonesië was Nederlands-Indië als afzetgebied voor het rollend materieel van Werkspoor weggevallen, maar wel werd in 1951, mede dankzij de internationale contacten van prins Bernhard, een grote order verworven uit Argentinië ter waarde van 225 miljoen gulden. Met het uitvoeren hiervan was zeven jaar gemoeid, waartoe het fabriekspersoneel werd uitgebreid van 2000 naar 5000 man.

In 1954 fuseerde het bedrijf met Stork en bleef het bestaan als onderdeel van de Verenigde Machinefabrieken Stork-Werkspoor (VMF). In Utrecht werd in 1960 een nieuwe grote fabriekshal gebouwd voor de bouw van grote ketels en apparaten, de Apparatenhaal, sinds 2013 ook bekend als de Werkspoorkathedraal.

Rond 1968 had Werkspoor zoveel orders (onder meer voor de bouw van de NS-treinstellen Plan V en een grote serie Amsterdamse trams), dat werk werd uitbesteed aan de Duitse fabrikant Düwag. Desondanks had de afdeling rollend materieel (Rolma) weinig toekomstperspectief, omdat het bedrijf na het aflopen van de Argentijnse order alleen aan de Nederlandse markt leverde. De directie heeft de afdeling Rolma in 1972 gesloten. Treinstel 840 van de NS is het laatste gebouwde rollend materieel (afgeleverd in 1972).

In 1989 werd Stork-Werkspoor-Diesel (SWD) overgenomen door het Finse concern Wärtsilä.

Nevenactiviteiten[bewerken]

Vliegtuigbouw[bewerken]

Werkspoor heeft een bescheiden bijdrage geleverd aan de Nederlandse vliegtuigbouw. In 1925 was de fabriek betrokken bij de bouw van de eerste Nederlandse helikopter van luchtvaartpionier Albert Gillis von Baumhauer, die verloren ging in 1930. In dat jaar kreeg Werkspoor van KLM-directeur Albert Plesman de opdracht een vrachtvliegtuig te bouwen, naar een ontwerp van Joop Carley. De ontwikkeling, in samenwerking met Pander, ging gepaard met problemen aan de motor (oververhitting). In 1931 maakte de Jumbo zijn eerste vlucht. Het enige exemplaar vloog twee jaar voor de KLM als vrachtvliegtuig en daarna nog zeven jaar als lesvliegtuig. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd het toestel vernietigd tijdens een bombardement.

Bussenbouw[bewerken]

Werkspoor was zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog actief in de bouw van autobuscarrosserieën. In de late jaren veertig werden 195 Crossley-bussen gebouwd voor de streekvervoerbedrijven waarvan NS de aandelen in handen had. Daarna bouwde Werkspoor zeven jaar lang geen bussen, maar in de tweede helft van de jaren vijftig stapte de fabriek weer in deze markt op verzoek van NS, die wilde voorkomen dat de grote carrosseriebouwer Verheul een monopolie zou verwerven. Verheul was al in staat om bussen met een zelfdragende carrosserie te bouwen en Werkspoor moest dat volgens NS ook kunnen. In de jaren 1956-1962 werden aan de NS-dochterondernemingen 477 exemplaren van de Leyland-Werkspoor bolramer-streekbus geleverd. Er was octrooi verkregen op de speciale bolvormige antireflex-voorruit, een vinding van Werkspoors hoofdingenieur Hofstede. Ook de stadsvervoerbedrijven van Utrecht, Arnhem en Rotterdam kochten een aantal bussen bij Werkspoor. In 1962 droeg Werkspoor de autobusdivisie over aan Hainje te Heerenveen. De bolle Werkspoor-voorruit is daarna nog vele jaren toegepast op bussen van Zwitsers fabricaat.

Radiotelescoop[bewerken]

In 1956 bouwde Werkspoor samen met Philips, het KNMI en een aantal Nederlandse universiteiten de Dwingeloo Radiotelescoop.

Hyperbare zuurstoftank[bewerken]

In 1959 bouwde Werkspoor de eerste voor medische doeleinden gebruikte hyperbare zuurstoftank voor het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam. De tank is na de fusie tot het AMC meeverhuisd naar het pand aan de Meibergdreef en wordt daar nog altijd gebruikt.

Na Werkspoor[bewerken]

Het Werkspoormuseum in het voormalige Admiraliteitsgebouw aan de Oostenburgergracht.

In Amsterdam bevond zich het Werkspoormuseum. Het was sinds 1950 gevestigd op Oostenburg in een voormalige lijnbaan van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Dit 500 meter lange gebouw dateert van 1660. De begane grond toont voorwerpen uit de tijd van de V.O.C., de eerste verdieping is gewijd aan het industriële verleden van Werkspoor. Het museum, tevens representatief als Stork Ontvangstcentrum, was niet openbaar toegankelijk en is uiteindelijk in 2011 definitief gesloten. Voor onderbrengen van de collectie bij andere musea werd door eigenaar Stork in 2012 een oplossing gezocht.

De in 2002 geplaatste spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal, ten behoeve van spoorverdubbeling tussen Amsterdam en Utrecht, heeft de naam Werkspoorbrug gekregen omdat deze vlak bij het oude fabriekscomplex van Werkspoor ligt. De ernaast liggende brug uit 1966 heet Demkaspoorbrug, naar de Demka-staalfabriek in de omgeving.

Op 12 september 2009 werd aan de Amsterdamsestraatweg 569 in Utrecht het Museum van Zuilen geopend, met daarin een grote Werkspoor-collectie, speciaal van de fabriek te Utrecht (Zuilen). De komst van Werkspoor naar Zuilen heeft de ontwikkeling van deze (tot 1954 zelfstandige) gemeente bevorderd.

Op 10 december 2013 werd een door Werkspoor gebouwd stuk van de Bommelse brug aan de Amsterdamsestraatweg, op de hoek St.-Ludgerusstraat, dicht bij het Museum van Zuilen geplaatst. Een monumentaal eerbetoon aan de arbeiders die aan deze brug werkten. Zij woonden in de omgeving van het brugdeel.

Rollend materieel[bewerken]

Een overzicht van door Werkspoor na de Tweede Wereldoorlog gebouwd spoor- en trammaterieel.

Nederlandse Spoorwegen[bewerken]

Locomotieven[bewerken]

Treinstellen[bewerken]

Rijtuigen[bewerken]

GVB (Amsterdam)[bewerken]

HTM (Den Haag)[bewerken]

RET (Rotterdam)[bewerken]

  • Metro: 5000-serie.
  • Trams: 300- en 600/1600-serie.

Staatsmijnen[bewerken]

Locomotieven[bewerken]

Wagens[bewerken]

  • 2-assige zelflossers

Portretten van Werkspoor-producten[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]