Spoorwegrijtuig

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
HSM Diligence-rijtuig 4 in het Nederlands Spoorwegmuseum
Houten rijtuig SS 218 in het Nederlands Spoorwegmuseum
Houten rijtuig SS C 723 in het Nederlands Spoorwegmuseum
Stalen Plan D-rijtuig AB 7709 in het Nederlands Spoorwegmuseum
Stalen Plan E-rijtuig B 6609 van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij te Beekbergen
Dubbeldeks (DDM)-Bv-rijtuig in de Intercity Haarlem – Heerlen/Maastricht
ICK-rijtuig van de NS (ex-DB)

Een spoorwegrijtuig is een railvoertuig voor het vervoer van reizigers zonder eigen aandrijving. Ook een spoorwegrijtuig dat geheel of gedeeltelijk is ingericht voor het vervoer van post of van bagage van reizigers wordt spoorwegrijtuig genoemd, of specifieker, post- respectievelijk bagagerijtuig.

Soms wordt het woord bak gebruikt om een rijtuig aan te duiden, vooral om het aantal rijtuigen van een treinstel aan te geven. Formeel is een bak een rijtuig of locomotief zonder de wielen en draaistellen. Een wagen, buiten het jargon ook wagon, is uitsluitend bedoeld voor het vervoer van goederen.

Gebruik[bewerken]

Rijtuigen worden getrokken of geduwd door een locomotief, of door een motorrijtuig, een rijtuig met een eigen aandrijving. In Nederland worden rijtuigen gebruikt in het dubbeldeksaggloregiomaterieel. Deze treinen worden in jargon aangeduid als DD-AR. Rijtuigen worden ook gebruikt voor enkele intercity's, bijvoorbeeld tussen Den Haag en Eindhoven, en op de hogesnelheidslijn van Amsterdam naar Breda of naar AmsterdamBrussel-Zuid). Treinen met rijtuigen rijden ook tussen Amsterdam en Duitsland.

Locomotiefgebruik[bewerken]

Treinen die uit rijtuigen bestaan hebben als nadeel dat ze moeilijk van lengte en samenstelling te veranderen zijn. Het kopmaken, het van richting veranderen van een trein, vraagt rangeerwerk of extra spoorwegmaterieel. Voor het kopmaken van een trein met rijtuigen zijn er vier alternatieven.

Omlopen[bewerken]

De locomotief wordt losgekoppeld en rijdt via een ander spoor om naar de achterzijde van de trein en wordt daar weer aangekoppeld. Dit omrijden wordt omlopen genoemd. Het omlopen vergt een extra spoor.

Een stuurstandrijtuig[bewerken]

Aan de ene zijde van de trein bevindt zich een locomotief, en aan de andere zijde een stuurstandrijtuig, dat is een rijtuig met een machinistencabine. Via 'stuurstroomkabels' kan de locomotief ook vanuit het stuurstandrijtuig bediend worden. Zo kan de trein in beide richtingen rijden, zonder dat de trein van samenstelling veranderd hoeft te worden. Deze treinen worden trek-duwtreinen genoemd. Soms heeft een trein zelfs twee stuurstandrijtuigen. De locomotief in dan het midden van de trein is geplaatst. Dit komt onder andere voor in Zwitserland.

Twee locomotieven[bewerken]

Soms is er aan beide zijden van de trein een locomotief geplaatst. Dat blijkt soms een goedkopere oplossing te zijn dan het bouwen van een klein aantal stuurstandrijtuigen.

Twee locomotieven in treinschakeling[bewerken]

Als de twee locomotieven met stuurstroomkabels met elkaar zijn verbonden kunnen beide locomotieven tractie leveren. De locomotieven rijden dan in treinschakeling. De trein kan daardoor sneller optrekken en remmen.

Geschiedenis[bewerken]

De bovenbouw van de oudste spoorwegrijtuigen werd van hout gemaakt, zoals gebruikelijk bij rijtuigen in de 19e eeuw. Een voorbeeld van rijtuigen uit de eerste generatie zijn de rijtuigen die door de Arend, de eerste Nederlandse trein in 1839, werden voortgetrokken. Een in 1939 gebouwde replicatrein is in het Nederlands Spoorwegmuseum te bezichtigen: een rijtuig 3e klasse no 10 "waggon", een rijtuig 2e klasse no 8 "char à bancs" en een rijtuig 1e klasse no 4 "diligence". Deze rijtuigen waren niet voorzien van een verwarming.

Naast zitrijtuigen werden er ook rijtuigen met slaapcoupés en buffet- en restauratierijtuigen gebouwd. Verder kwamen er speciale bagagerijtuigen en postrijtuigen. Aanvankelijk waren rijtuigen tweeassig. Later kwamen ook drieassige en vierassige rijtuigen, waardoor een grotere capaciteit kon worden geboden.

Na de houten rijtuigen kwamen vanaf de jaren twintig de stalen rijtuigen. Deze waren steviger en gaven de reizigers bij ongevallen meer veiligheid. Aanvankelijk werden stalen rijtuigen met klinknagels gemonteerd. Een voorbeeld hiervan zijn de Blokkendoosrijtuigen uit de jaren 1924-1931. Vanaf de jaren dertig werden stalen rijtuigen gelast. Gelaste rijtuigen waren lichter en goedkoper. In Nederland werden de laatste houten rijtuigen in 1956 buiten dienst gesteld.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er ook dubbeldeksrijtuigen, vooral in Frankrijk werden zij op grote schaal ingezet in het forensenverkeer. In Nederland en België werden zij in de jaren tachtig geïntroduceerd. Met het drukker wordende reizigersverkeer kon zo een grotere capaciteit worden geboden zonder de trein te behoeven verlengen. Een dubbeldeksrijtuig heeft ongeveer anderhalf keer de capaciteit van een gewoon rijtuig.

De modernste rijtuigen op het Nederlandse en Belgische spoorwegnet zijn die van de TGV met speciale vering en luxueuze zitplaatsen.

Bewaard NMBS-M2 2e klasse/bagagerijtuig in originele groene kleuren
Een NMBS-M5-dubbeldeksrijtuig, (2e klasse)
Interieur van een NMBS-I11-rijtuig (2e klasse)

Nederlandse rijtuigen[bewerken]

De volgende rijtuigen zijn in gebruik:

  • ICR (Intercityrijtuig)
  • DDM (dubbeldeksmaterieel, rijtuigen in trek-duwdienst)
  • DD-AR (dubbeldeksmaterieel, rijtuigen in trek-duwdienst, kunnen ook zelf rijden)

Belgische rijtuigen[bewerken]

De volgende rijtuigen zijn in gebruik:

  • M4 (meestal in trek-duwdienst, vooral ingezet voor IR-treinen en P-treinen)
  • M5 (dubbeldeksrijtuig, meestal in trek-duwdienst, wordt vooral ingezet voor P-treinen)
  • M6 (dubbeldeksrijtuig)
  • I6 (rijtuig met compartimenten, meestal te zien tussen Liers-Luxemburg/bij Benelux-treindiensten)
  • I10 (wordt vooral ingezet voor P-treinen, ook te zien op de verbinding Liers-Luxemburg/bij Benelux-treindiensten)
  • I11 (meestal in trek-duwdienst)
  • SR-3 speciaal bar-discorijtuig

Externe link[bewerken]