Johannes Bosboom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Johannes Bosboom
Portret door Charles Dankmeijer, c. 1880
Portret door Charles Dankmeijer, c. 1880
Persoonsgegevens
Geboren Den Haag, 18 februari 1817
Overleden Den Haag, 14 september 1891
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Jaren actief 1833-1890
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Johannes Bosboom (Den Haag, 18 februari 1817 – aldaar, 14 september 1891) was een Nederlandse schilder, vermaard om zijn kerkinterieurs; aanvankelijk in een romantische stijl, later in een Hollands Impressionisme; hij was bovendien aquarellist, etser, lithograaf en tekenaar.

Jeugd en opleiding[bewerken]

Johannes Bosboom bleek al op jonge leeftijd over een groot tekentalent te beschikken en ging op veertienjarige leeftijd in de leer bij de schilder van stadsgezichten Bart van Hove (de buurman van de familie Bosboom), waar hij ook Wijnand Nuijen en Sam Verveer als leerlingen ontmoette.[1] Datzelfde jaar volgde de jonge Bosboom tot 1835 lessen aan de Haagsche Teekenacademie en van 1839 tot 1840 opnieuw. Het jaar daarop was hij lid van de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten, te Amsterdam.[2] In zijn leertijd bij Van Hove werkte Johannes Bosboom al jong mee aan het schilderen van toneeldecors; op deze wijze deed hij kennis op van de architectuur en bouwstijlen in de andere Europese landen en ontwikkelde hij al vroeg zijn groeiende belangstelling voor kerkinterieurs.[1] De drie vroege Haagse stadsgezichten die Bosboom in 1833 op de Tentoonstelling van Levende Meesters presenteerde, toonden nog de invloed van zijn leermeester van Hove. Later beschreef Bosboom zelf zijn vroege leertijd:

'Als schoolknaap was de Teekenles mij de liefste geworden en die lust werd niet weinig aangewakkerd toen, omstreeks mijn twaalfde jaar, de Stadsgezigtschilder B.J. v. Hove onze buurman werd. Sints dien tijd begon ik sterk te verlangen werd reeds bevredigd in het najaar van 31. Tot mede-leerlingen, die ik daar vond behoorde Sam Verveer. Huib, de oudste zoon van onzen meester, ontving toen zijne opleiding bij den Landschapschilder H. v.d. Sande Bakhuyzen - maar na een paar jaar vormden wij een drietal dat doorgaans zamen uitging om studies te maken en - pret te hebben. - Behalve in het atelier aan huis van onzen meester, werden wij eerlang ook, af en toe, aan het werk gezet bij het Schilderen voor Tooneel, waarbij de Hr. v.H. [zijn leermeester] in 1830 als Decorateur was aangesteld.' [3]

Leven en werk[bewerken]

Na afsluiting van zijn opleiding bij de Academie maakte Bosboom in 1835 (op advies van Wijnand Nuyen) een studiereis door Duitsland, samen met Sam Verveer. Ze deden Düsseldorf, Keulen en Koblenz aan en maakten veel tekeningen en schetsen. Bij terugkomst vestigde Bosboom zich op 23-jarige leeftijd als zelfstandig kunstschilder aan de Dunne Bierkade in Den Haag.[1] In 1837 bezocht hij nog Antwerpen en in 1838 stak hij door naar Frankrijk, waar hij Rouen en Parijs aandeed, nu in het gezelschap van Cornelis Kruseman. In Den Haag trof hij regelmatig de schilders Waldorp, Nuijen en Sam Verveer in het 'Fransche Koffijhuis' in Den Haag, met ook Rochussen en Huib van Hove. Het was onder andere ook Bosboom die zich kort na de vroege dood van Nuijen in 1840 inzette voor het oprichten van een grafnaald bij het graf van Nuijen, en daartoe geld bijeen zamelde onder de Haagse kunstenaars. Hij was niet een echte leerling van Nuijen maar noemde zichzelf zijn volgeling; zo schreef hij later:

'..de Romantische beweging onder aanvoering van den genialen Nuijen trok ook mij aan tot volgen.. ..er ontsproot daaruit later een meer verstandig zoeken naar verlevendiging van coloriet en verheviging van effect. vermeerdering van reliëf. '[4]

Ook van de oudere landschapsschilder Schelfhout kreeg de jonge Bosboom regelmatig adviezen.

Al in 1835 had de jonge Bosboom een schilderij vervaardigd van het interieur van de St. Jan in Den Bosch; het werk werd in 1836 getoond op een tentoonstelling te Rotterdam en daar meteen verkocht. Zijn deelname aan een prijsvraag in Felix Meritis in Amsterdam in 1836 resulteerde in een gouden erepenning. Na zijn studie en reis door Duitsland maakte hij Het Gezicht op de Moezelbrug te Coblenz, dat direct daarna werd aangekocht door Schelfhout; Bosboom was dan slechts achttien jaar oud.[5] In 1844 werd hij al door de pas opgerichte Kunstkronijk gecomplimenteerd: 'No. 213. B. van Hove [leermeester van Bosboom]. Eene kerk van binnen. Ongelukkiger wijze hangt dit stuk van den anders niet onverdienstelijken schilder in denzelfden rei met dat van zijn leerling Bosboom hetwelk geen vergelijking toelaat. De leerling heeft de meester geëclipseerd.' Bosboom was toen 27 jaar!

vroege periode werk[bewerken]

Aanvankelijk schilderde Bosboom zijn kerken naar zijn zeventiende-eeuwse voorganger Emanuel de Witte, in een gedetailleerde en tekenachtige techniek. Evenals op de schilderijen van de Witte domineerde toen voor Bosboom de grote, vaak gotische, kerkruimte - gevuld met grafmonumenten, epitafen en kerkmeubilair, en vooral met mensen in uiterst verheven bezigheden, maar ook van alledag zoals pratend of wandelend door de kerk.[5] De jongere Bosboom zocht vooral naar de juiste visuele weergave van het kerkinterieur; de sfeer, de hoogte en de diepte van het gebouw moesten zo optimaal mogelijk worden weergegeven. In navolging van zijn leermeester Van Hove bouwde Bosboom de kerkruimte op uit een voorgrond, middenplan en achtergrond. De stoffering [geplaatste figuren] in het middenschip en de zijbeuken moest het opgeroepen perspectief benadrukken.[1] Ook de jonggestorven romantische schilder Wijnand Nuyen, die niet bang was voor flinke dramatiek in zijn werk had veel invloed op de jonge Bosboom; hij was onder de indruk van de themakeuze van zijn bevlogen vriend, van zijn kijk op het onderwerp en van zijn kleurgebruik. Vooral van 1836 (toen Bosboom zich als zelfstandig schilder vestigde) tot 1839 toen zijn vriend stierf, was Nuyens invloed op Bosboom groot.[6]

latere periode werk[bewerken]

Later legde Bosboom - onder invloed van Rembrandt die hij enorm waardeerde - zich meer toe op het met een breed penseel geschilderde licht- en kleurimpressies in zijn kerkinterieurs; het belang van de nauwgezette weergave van de architectuur werd zo naar de achtergrond verdrongen in het voordeel van het scheppen van atmosfeer. Daarmee gaf Bosboom zijn kerkinterieurs een heel andere expressie dan de zeventiende-eeuwse schilders. In zijn vroege olieverfschilderijen van Synagogen werd deze lossere penseelvoering voor het eerst zichtbaar; later legde Bosboom zich ook in zijn andere kerkinterieurs steeds meer toe op deze techniek.[1]

Met zijn latere impressionistische benadering stond Bosboom aan de wieg van ontwikkelingen die zouden leiden tot de Haagse School. Dat het werk van zijn zeventiende-eeuwse voorgangers nooit helemaal zijn gedachten was, blijkt uit de kleding uit de gouden eeuw, die zijn mensfiguren in de kerkruimte in bijna al zijn schilderijen dragen.[1]
De meesterlijke wijze waarop hij het impressionistische licht in zijn kerkinterieurs verwerkte, maakte hem tot een der belangrijkste Europese schilders in dit genre.

laatste tien jaar[bewerken]

Het jaar 1880 was voor Bosboom een mooi jaar; hij maakte een serie tekeningen naar zijn studies uit Veere, en bovendien een serie aquarellen van zijn eigen atelier. Hij was dat jaar weer opgewekt, zo liet een brief van mevrouw Bosboom van 3 september uit Hoorn weten: 's-morgens om 6 uur zat hij al op het Doelenplein om studies te maken, en hij bleef daar de hele dag bezig met schetsen. Hij was verrukt van de steegjes en poortjes in het oude centrum die zo antiek en bouwvallig aandeden. Ook het stadhuis, de Doelen, en de kerken leverden hem veel stof op tot werken. Na 12 dagen was hij nauwelijks voldaan, maar wel tevreden met zijn uitgebreide oogst van studies en schetsen. Na Hoorn trok hij hetzelfde jaar nog naar Haarlem en naar Naarden, waar hij onder meer in de Raadhuiskamer tekende. Ook was hij twee keer keer in Utrecht geweest en bezocht bovendien nog Vianen.
Alleen al van de kerk van Hoorn maakte hij in de laatste tien jaar van zijn leven minstens acht aquarellen.[7]

In een brief van H.G. Tersteeg aan Grada Hermina Marius die later een biografie over Bosboom zou schrijven, gaf de kunsthandelaar aan dat Bosboom de laatste tien jaar van zijn leven (c. 1880-90) nog wel een aantal olieverfschilderijen onder handen had maar er geen één meer tot een bevredigend einde wist te brengen. Wel stimuleerde de datum van de jaarlijkse tentoonstelling van de Hollandsche Teekenmaatschappij (die hij zelf mede had helpen oprichten in 1876) Bosboom om zijn inzending van werken op papier goed voor te bereiden. Kon hij er niet toe komen iets nieuws op te zetten, dan zocht hij onder de vele aangelegde aquarellen in zijn portefeuille er enkele uit, waarvan hij dacht dat hij die op tijd kon afmaken. Marius beschreef dat Bosboom het opnieuw onderhanden nemen van vroeger voltooide aquarellen tot het laatste toe heeft volgehouden:

'Hoe veranderden de afgesponsde teekeningen, de oude schetsen, de vroeger begonnen aquarellen onder de bewerking van zijn altijd ongeloofelijk lenige handen, onder zijn gevoelige vingers! Hij rustte niet, voordat hij het bijkomstige ondergeschikt gehouden had aan het geheel, hetzij door het benedendeel van een kerk meer te omwikkelen in schemering, hetzij, zooals bij de synagogen, door het licht sterker te concentreeren en hinderlijke voorwerpen in een schaduw te hullen.' [7]

de Bosbooms en de Nassau's[bewerken]

Het echtpaar Bosboom-Toussaint woonde lange tijd in Den Haag: de hofstad, de regeringsstad en de diplomatenstad. Iedereen kende de Bosbooms en de twee Bosbooms kenden velen: diplomaten, ministers en notabelen bezochten zijn atelier en kochten werken aan. Ook het Huis Oranje-Nassau liet daarin zich niet onbetuigd. De koningen Willem II, Willem III en koningin Sophie kochten zijn schilderijen, evenals prinses Marianne van Oranje, prinses Marie van Pruisen en prins Hendrik.
Ook op andere wijze had het echtpaar Bosboom-Toussaint vrij veel contact met het Koninklijk Huis. Vlak na de inhuldiging van koning Willem III in 1849 bezocht het toen nog verloofde paar Bosboom het nieuwe koningspaar om hen Geertruida's gedenkboek en Johannes' schilderij als present aan te bieden. Later zou Geertruida Bosboom-Toussaint op gezette tijden een bezoek brengen aan koningin Sophie om met haar tijdens de thee van gedachten te wisselen over uiteenlopende maatschappelijke en culturele ontwikkelingen, maar ook over persoonlijke aangelegenheden van meer vertrouwelijke aard. De Bosbooms ontmoetten van tijd tot tijd leden van de koninklijke familie op soirées en andere feestelijke bijeenkomsten. Met name tussen 1850 en 1856 was er min of meer regelmatig contact door middel van brieven en bezoeken.[5]

Werkwijze[bewerken]

Bosboom had de gewoonte om tijdens zijn verblijf in plaatsen waar hij werkte ter plekke studies te maken die hij later in zijn atelier uitwerkte tot complete schilderijen. Er zijn zo vele voorbeelden van voorstudies en schetsmatige uitwerkingen daarvan, die later werden gevolgd door schilderijen in water- of olieverf. Naast olieverfschilderijen op paneel en linnen maakte hij van eenzelfde thema aquarellen en penseeltekeningen. Oorspronkelijk slechts bedoeld als studieobjecten, werden vooral zijn aquarellen later steeds meer gepresenteerd en verkocht als zelfstandige kunstwerken. Vooral in zijn latere jaren was Bosboom een befaamd aquarellist geworden.
Van succesvolle werken maakte Bosboom vaak verschillende herhalingen, met een (soms zelfs heel geringe) afwijkende stoffering (van figuren). Ook maakte hij vele varianten op een hoofdonderwerp als het thema hem boeide of als bleek dat het bij zijn publiek aansloeg. Met name de vele versies van de consistoriekamer in de Bredase kerk zijn hiervan een goed voorbeeld.[1]

Bosboom was bovendien een befaamde fantast die aanzienlijke vrijheid nam om zonder gêne onderdelen van verschillende kerken samen te voegen tot een acceptabel interieur; ook verplaatste hij vaak onderdelen in een kerk terwille van de compositie naar een andere plek in het schilderij.[5] Daarin stond hij volstrekt niet alleen; ook Sam Verveer, Wijnand Nuijen en de oude stadsschilder Jan Weissenbruch stelden hun schilderijen op vergelijkbare wijze samen en zou Jacob Maris zijn late Hollandse stadsgezichten maken.
In veel gevallen ontstond het uiteindelijke schilderij bij Bosboom pas vele jaren later dan de eerste studieschetsen, en stelde hij het werk op doek samen uit een veelvoud van detailschetsen, die - zoals we op zijn studiebladen zien - uiterst fragmentarisch zijn. Maar ook andersom was het mogelijk: er zijn ook aquarellen bekend die gebaseerd zijn op schilderijen die heel wat eerder gemaakt zijn. Veel van Bosbooms werken ontstonden deels op basis van eerdere schetsen ter plekke, deels vanuit zijn geheugen en deels uit zijn fantasie. In zijn latere jaren maakte hij weinig of geen studies meer in kerken; hij had zijns inziens genoeg 'studies' in portefeuille.[8]

Erkenning[bewerken]

Bosboom was lid van de Pulchri Studio en de Hollandsche Teekenmaatschappij in Den Haag, en van het Genootschap 'Arti Sacrum' te Rotterdam. Hij werd in 1855 benoemd tot erelid van het Brusselse Société Royale Belge des Aquarellistes, in 1856 gevolgd door een benoeming tot ridder in de Leopoldsorde. Hij was leraar van Marie Bilders-van Bosse en Willem Frederik de Haas (1830-1880). Hij is nagevolgd door Jos Laurenty en had invloed op Johan Paul Constantinus Grolman.

Galerij van werken[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • G. H. Marius en W. Martin, Johannes Bosboom; Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage, 1917
  • C. Cuijpers, 'Het album Holland-Krakatau (1883). Artistieke liefdadigheid en exotische inspiratie', De Negentiende Eeuw 29 (2005) 4, p. 219-240
  • T. Figee, 'Johannes Bosboom. Schilder van licht, schaduw en sepia -bruine kerkinterieurs', Kunstbeeld 23 (1999), p. 42-45
  • A. Hoogenboom, De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw, Leiden 1993, p. 117, 157, 210
  • R. Volz en P. van der Pol, 'Bosboom en Breda. Inventarisatie en achtergronden van de werken van Johannes Bosboom met Bredase onderwerpen', Jaarboek der Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda "De Oranjeboom" dl. 54 (2001), p. 224-255
  • John Sillevis en Anne Tabak, 'Het Haagse School boek' (2001). Waanders Uitgevers, Zwolle, Gemeentemuseum Den Haag, p. 195-203, ISBN 904009540X
  • Johannes Bosboom staat vermeld in de Immerzeel 1842-1843, de Scheen 1969-1970, de Scheen 1981, p. 61-62, afb.nrs. 395 t/m 416 (als: Bosboom, Johannes) en de Witt Checklist 1978

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een verzameling Engelstalige citaten gerelateerd aan Johannes Bosboom.