Klassieke dichotomie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de macro- en de monetaire economie verwijst het begrip klassieke dichotomie (ook klassieke tweedeling) naar het idee dat wordt toegeschreven aan de klassieke en de pre-Keynesiaanse economie dat reële en nominale variabelen afzonderlijk van elkaar geanalyseerd kunnen worden. Om precies te zijn vertoont een economie een klassieke dichotomie als reële variabelen zoals de productie en reële rente volledig geanalyseerd kunnen worden zonder rekening te houden met wat er gebeurt met hun nominale tegenhangers, de geldwaarde van de output en de nominale rente. In het bijzonder betekent dit dat het reële bnp en andere reële variabelen kunnen worden bepaald zonder men het niveau van de nominale geldhoeveelheid of de inflatievoet ook maar hoeft te weten. Een economie vertoont de klassieke dichotomie als het geld neutraal is en alleen het prijspeil en niet de reële variabelen beïnvloedt.

De klassieke dichotomie was een integraal onderdeel van het denken van een aantal pre-Keynesiaanse economen ("de geldsluier") als een lange termijn propositie. Men vindt dit idee vandaag de dag nog bij de nieuw-klassieke theorieën van de macro-economie. Keynesianen en monetaristen verwerpen de klassieke dichotomie, omdat zij van mening zijn dat de prijzen star zijn. Dat wil zeggen dat zij denken dat de prijzen zich in de korte termijn niet aanpassen, met als gevolg dat een toename van de geldhoeveelheid de geaggregeerde vraag verhoogt en dus de reële macro-economische variabelen verandert. Ook post-Keynesianen verwerpen de klassieke tweedeling, zij het om andere redenen; zij benadrukken de rol van de banken in het geldscheppingsproces, zoals bijvoorbeeld in de monetaire circuittheorie.

Controverse[bewerken]

Don Patinkin (1954) bekritiseerde de klassieke dichotomie als zijnde inconsistent door middel van de introductie van het reële balanseffect van veranderingen in de nominale geldhoeveelheid. De vroegklassieke schrijvers postuleerden dat geld in waarde inherent gelijk is aan de hoeveelheid reële goederen, die men met dit geld kan kopen. Daarom zou in Walrasianse termen gezien, een monetaire expansie de prijzen slechts met een overeenkomstige factor verhogen, zonder dat dit reële effecten op de werkgelegenheid of de output zou hebben. Patinkin postuleerde echter dat deze inflatie niet tot stand kon komen zonder een corresponderende verstoring in de goederenmarkt. Als de geldhoeveelheid wordt vergroot komt de werkelijke voorraad geld hoger te liggen dan het 'ideale' niveau; als een reactie worden de uitgaven voor goederen verhoogd, opdat de optimale balans kan worden hersteld. Dit verhoogt het prijsniveau in de goederenmarkt, totdat aan de overmaat van vraag op het nieuwe evenwicht wordt voldaan. Patinkin stelde dus dat de klassieke dichotomie inconsistent is, aangezien het deze aanpassing in de goederenmarkt niet expliciet toestaat. Latere schrijvers zoals Archibald & Lipsey, (1958) betoogden echter dat de dichotomie volkomen consistent was, aangezien de dichotomie niet probeerde om te gaan met het 'dynamische' aanpassingsproces, maar slechts een 'statisch' initieel en finaal evenwicht zou willen aangeven.

Wiskundige representatie[bewerken]

Als een economie de klassieke dichotomie laat zien, kan er een comparatief statische-analyse worden uitgevoerd met behulp van een jacobiaanse matrix in een driehoekige blokvorm. Veronderstel dat men

 \mathbf{J}dy = dx

schrijft, waar dx enkele exogene schokken (veranderingen in productiviteit, de totale vraag, geldhoeveelheid, enz. weergeven (eest worden hier de reële schokken worden genoemd, en dy de verandering in de endogene variabelen (output, werkgelegenheid, prijzen, enz. vertegenwoordigt (opnieuw worden eerst de reële variabelen opgesomd). Vervolgens kan de matrix J als volgt in deelmatrices worden opgedeeld:

 \mathbf{J}=
\begin{bmatrix}
A & 0  \\
B & C  \\
\end{bmatrix}

Wanneer met andere de klassieke dichotomie van toepassing is, kan men berekenen hoe alle reële variabelen veranderen door alleen de deelmatrix A te inverteren, dus met uitsluiting uit de analyse van alle nominale variabelen, zoals de geldhoeveelheid en de prijzen.

Referenties[bewerken]

Bronvermelding[bewerken]