Kruisvereniging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Consultatiebureau in een voormalig kruisgebouw in het Openluchtmuseum te Arnhem

Een kruisvereniging was in Nederland een particuliere vereniging gericht op het geven van voorlichting op het terrein van volksgezondheid, de bevordering van hygiëne, het voorkomen en bestrijden van besmettelijke ziektes, infecties en epidemieën en het verzorgen en verplegen van zieken. Doelgroep waren de arme, onwetende bevolkingslagen, ook volks- of arbeidersklasse genoemd. Eind 19e, begin 20e eeuw hoorde ook het opleiden van pleegzusters tot haar werkgebied omdat daaraan toen een groot gebrek was.

Geschiedenis[bewerken]

Eerste kruisvereniging[bewerken]

De eerste kruisvereniging, het Witte Kruis, werd in 1875 opgericht door de Amsterdamse arts Jacobus Penn naar het voorbeeld van de Amersfoortse Vereniging tot bestrijding van besmettelijke ziekten en de choleracommissies.[1] De benaming 'kruis' is afgeleid van de internationale organisatie het Rode Kruis dat een rood kruis als symbool voert, geïnspireerd op de vlag van Zwitserland, het woonland van oprichter Henri Dunant. Het werk werd gefinancierd door bijdragen van leden, door particuliere giften en door het gratis ter beschikking stellen van arbeid door vrouwen, die eind 19e, begin 20e eeuw vaak gratis of tegen kost en inwoning werkten.[2]

De idee om in volksbuurten en achterstandswijken professionele gezondheidszorg aan huis te organiseren komt uit Duitsland, waar een protestants-christelijke predikant in 1836 in Düsseldorf het diaconessenwerk opzette.[1] In de Engelse industriestad Liverpool werd in 1858 door de sociale zakenman William Rathbone een systeem van district nursing opgezet.[3]

De volgende kruisverenigingen die werden opgericht, waren georganiseerd naar geloofs- of politieke richting, zoals dat tot de jaren tachtig van de vorige eeuw in Nederland gebruikelijk was (verzuiling). Om van de diensten gebruik te kunnen maken moest men lid zijn. Er kwamen steeds meer plaatselijke verenigingen en vestigingen verspreid over het land, met kruispost en consultatiebureau, waar leden heen konden gaan en van waaruit de voorlichting, preventie, verpleging en verzorging van zieken thuis door opgeleide verpleegsters en ziekenverzorgenden plaatsvond. Het werk van de verenigingen kreeg de benaming kruiswerk.

De bekendste kruisverenigingen zijn:

De kruisorganisaties speelden tot de jaren negentig in de praktijk een centrale rol in de maatschappelijke en openbare gezondheidszorg. Bij bestuurders en beleidsmakers, als ook op politiek niveau, stond het kruiswerk echter lang in de schaduw van de intramurale sector. Er was vanuit de overheid geen wettelijk geregelde structurele financiering, wel werden subsidies verleend. Dat veranderde met invoering van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ) in 1980. Een van de redenen om over te gaan tot vergoeding door de overheid was, dat het kruiswerk als middel van besparing werd gezien op de kosten van intramurale gezondheidszorg.

Recente ontwikkelingen[bewerken]

Met invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz) en Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in 2015, waarbij de AWBZ werd ingetrokken, wordt het werk van kruisverenigingen vergoed door zorgverzekeraar (wijkverpleging en persoonlijke zorg thuis) en gemeente (andere zorg thuis). Veel zorgverzekeraars en gemeenten oefenen druk uit om de tijdsbesteding van verpleegkundige en verzorgende bij cliënten te verlagen. Volgens velen komt dit de kwaliteit van zorg niet ten goede. [4]

Vernieuwing[bewerken]

Het denken en doen van de kruisverenigingen staat aan de basis van de huidige wijkverpleging en thuiszorg. Veranderd is dat de aanbod van zorg dient te zijn afgestemd op wat de cliënt kan en wil. Hij of zij bepaalt hoe zelfzorgtekorten het beste kunnen worden aangevuld.[5]

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b Harmke Stolk-Van Delen, Wijkverpleging in historisch perspectief: ontstaan en ontwikkeling van de wijkverpleging (1890–ca. 1930) met aandacht voor aspekten van medicalisering en professionalisering, Verpleegkundig historische cahiers 2, Rodopi, Amsterdam, 1986, p. 5, 9, 36-39
  2. Laura van Hasselt, De ideale verpleegster. Gemeente Amsterdam (22 december 2016). Geraadpleegd op 29 oktober 2018.
  3. History of District Nursing. Royal Holloway University of London (augustus 2010). Geraadpleegd op 27 oktober 2018.
  4. Hugo Borst: ‘Extra geld naar wijkverpleging’. Bohn Stafleu van Loghum (11 mei 2018). Geraadpleegd op 29 oktober 2018.
  5. Wijkverpleging vernieuwt. Actiz koepel Zorginstellingen (19 juni 2018). Geraadpleegd op 26 oktober 2018.