Laagfrequent geluid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Laagfrequent geluid (LF geluid of LFg; Engels: low-frequency sound) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied. Ligt de frequentie nog lager dan spreekt men van infrageluid. De geluiden met frequenties boven de waarneembare grens heten ultrasoon geluid.

Definitie[bewerken | brontekst bewerken]

Laagfrequent geluid bevindt zich in het grensgebied tussen normaal hoorbaar en onhoorbaar geluid in de laagste frequenties. Omdat de waarnemingsgrens van persoon tot persoon verschilt, is de definitie van laagfrequent geluid enigszins arbitrair, ook omdat laagfrequent geluid deels wordt gevoeld in plaats van gehoord. Wetenschappers hanteren voor LFg vaak als bovengrens een frequentie van ongeveer 125 hertz.[1] Het onhoorbare gebied ligt tussen 0 en circa 20 hertz en wordt aangeduid met de term infrasoon geluid.

Voortplanting en waarneming[bewerken | brontekst bewerken]

Laagfrequent geluid plant zich zeer goed voort door de lucht. Het wordt door de atmosfeer veel minder geabsorbeerd dan hogere frequenties en het wordt ook via de bodem goed doorgegeven. Ook ramen en muren van woningen houden het laagfrequent geluid veel minder goed tegen dan de hogere frequenties. Dat betekent dat laagfrequent geluid op zeer grote afstand van de geluidsbron waargenomen kan worden. En dat betekent ook dat de bron van het waargenomen geluid soms uitermate moeilijk gevonden kan worden.

Naar schatting kan slechts zo’n 2,5% van de bevolking laagfrequent geluid waarnemen.[1] Wat voor deze personen laagfrequent geluid is, is voor de meeste mensen onhoorbaar geluid, dus infrasoon geluid. Bepaalde diersoorten kunnen gemakkelijk laagfrequent geluid horen.

LFg wordt voornamelijk rechtstreeks in het lichaam, buiten de gehoororganen om, waargenomen. Het kan daarom niet worden tegengehouden door oordopjes. Het menselijk gehoor is dan ook niet in staat om van lage tonen te horen uit welke richting en van welke afstand ze komen.

Laagfrequent geluid kan doorgaans pas waargenomen worden als het geluidsniveau ervan zeer hoog is, vanaf circa 100 dB lineair (dat wil zeggen: zonder de vaak gebruikte A-weging zoals in de dB(A)). De individuele verschillen tussen personen zijn hier echter zeer groot, zodat de ene persoon het geluid in het geheel niet hoort, en een ander het als bijzonder hinderlijk ervaart. Tevens maakt dat het constateren van laagfrequent geluid buitengewoon moeilijk. Veel geluidsmeetinstrumenten kunnen geen geluidsbelastingen meten onder circa 40 Hz. Dat is ook nodig voor een microfoon, omdat anders de meting overstuurd zou worden door langzame drukvariaties in de lucht, bijvoorbeeld door wind. De meeste microfoons hebben een speciale drukvereffening hiervoor.

Het aantal meldingen en klachten over het horen van laagfrequent geluid is toegenomen tussen 2008 en 2016.[2]

Bronnen van laagfrequent geluid[bewerken | brontekst bewerken]

Wisselspanning van het elektriciteitsnet ligt met 50 Hz ruimschoots binnen het gebied van laagfrequent geluid. Bronnen van laagfrequent geluid zijn over het algemeen machines die met een laag toerental draaien, zoals grote pompen, of schudmachines voor het verdichten van beton.

In principe veroorzaakt elke bron die breedbandig geluid voortbrengt ook laagfrequent geluid. Zo produceren de wielen van een trein rolgeluid in een zeer breed frequentiespectrum. Als een trein door een tunnel rijdt, worden de hoge frequenties door de bodem tegengehouden, maar de lage frequenties planten zich voort en kunnen bijvoorbeeld doordringen tot in gebouwen naast de tunnel.

Laagfrequent geluid kan veroorzaakt worden door natuurlijke en onnatuurlijke bronnen. Natuurlijke bronnen van laagfrequent geluid zijn bijvoorbeeld wind, golven op het strand, zee en onweer. Andere bekende bronnen van laagfrequent geluid zijn wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer, windturbines, industrie, transformatoren, warmtepompen, airconditioning, zuigercompressoren, generatoren, wasmachines, muziek bij festivals en discotheken en mechanische ventilatie.[3] Vliegvelden en windturbines zijn de belangrijkste bronnen van laagfrequent geluid.[4]

Invloed op de gezondheid[bewerken | brontekst bewerken]

Het percentage van de mensen dat hinder ervaart van laagfrequent geluid varieert per onderzoek tussen de 2% en 34% van de deelnemers.[5] In Nederland heeft 8% van de bevolking last van laagfrequent geluid en 2% van de bevolking heeft ernstige slaapverstoring door laagfrequent geluid.[2] Gezondheidseffecten die kunnen optreden bij blootstelling aan laagfrequent geluid bestaan uit (ernstige) hinder,[6] afname van hartritmevariabiliteit,[7] en mogelijk slaapverstoring.[8]

Normen[bewerken | brontekst bewerken]

Sinds 1999 wordt in Nederland een door de Stichting Bouwresearch ontwikkelde richtlijn gehanteerd die is geadopteerd door de Nederlandse Stichting Geluidshinder. Een pionier op het gebied van laagfrequent geluid in Nederland was de wetenschapswinkel van de Universiteit Groningen. De normen zijn echter niet, zoals bij het "normale geluid", in de Nederlandse geluidswetgeving verwerkt.

Op 3 november 2008 diende Paulus Jansen een motie in om de Nederlandse regering te verzoeken een wettelijke regeling voor laagfrequent geluid in te richten. De achtergrond hiervan was de problemen bij de inpassing van windturbines.

Planologie[bewerken | brontekst bewerken]

In de planologie wordt meestal rekening gehouden met de geluidsbelasting van normale frequenties, maar blijft laagfrequent geluid buiten beschouwing. In sommige gevallen wordt er echter wel aandacht aan besteed. Zo is bij een nieuwbouwproject in de wijk De Volgerlanden (gemeente Hendrik-Ido-Ambacht) een afstand van 90 meter aangehouden tot de Sophiaspoortunnel, omdat geluid van treinen uit de tunnel mogelijk overlast veroorzaakt.

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]