Levensverrichting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder levensverrichtingen (ook wel levensfuncties genoemd) vat men in de biologie een aantal kenmerken samen die gezamenlijk aangeven wanneer men spreekt van leven. Fysiologie is de wetenschap van de (normale) levensverrichtingen en -verschijnselen. Daarbij wordt iets dan als levend beschouwd als het alle of de meeste van deze levensfuncties heeft:

  1. Homeostase: het vermogen van een organisme om het interne milieu constant te houden.
  2. Leven vertoont organisatie en structuur: er is een verband tussen vorm (anatomie, histologie, morfologie) en functie (fysiologie, gedrag). De basale bouwstenen van het leven zijn cellen.
  3. Metabolisme of stofwisseling: het opnemen van energie van het geheel van biochemische processen die plaatsvinden in cellen en organismen ten behoeve van de activiteit, groei, voortplanting en instandhouding. Energie wordt van de ene vorm in de andere vorm getransformeerd.
  4. Groei: het proces van toename van grootte en complexiteit.
  5. Er vinden aanpassingen plaats in structuren of gedrag, die de organismen beter in staat stellen te overleven of voor nageslacht te zorgen. Dit principe van adaptatie aan het milieu is fundamenteel voor de evolutie van populaties.
  6. Prikkelbaarheid: het kunnen reageren op stimuli, op veranderingen in het uitwendige of inwendige milieu van het organisme.
  7. Voortplanting: het proces waarbij een organisme voor nakomelingen en voor het voortbestaan van de soort zorgt. Voor geslachtelijke voortplanting zijn twee individuen nodig. De nakomelingen hebben kenmerken van beide ouders in nieuwe combinaties.