Liberaal-Democratische Partij van Japan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Liberaal-Democratische Partij van Japan
Liberal Democratic Party of Japan logo.svg
Personen
Partijleider Shinzo Abe
Mandaten
Zetels in het Hogerhuis
Zetels in het Lagerhuis
Geschiedenis
Opgericht 15 november 1955
Algemene gegevens
Actief in Japan
Richting Centrumrechts
Ideologie Neoliberalisme, liberaal conservatisme
Website http://www.jimin.jp/english/
Portaal  Portaalicoon   Politiek

De Liberaal-Democratische Partij van Japan (Japans: 自由民主党, Jiyūminshutō, of ook kort 自民党, Jimintō) is een politieke partij in Japan. Vanaf de oprichting van de partij in 1955 tot 2009, met uitzondering van de jaren 1993-1994, heeft de LDP de Japanse regering gevormd.

Ideologisch gezien valt te partij te kenschetsen als conservatief, nationalistisch, neoliberaal en pro-Amerikaans. De regering sprak haar politieke en militaire steun uit aan de Amerikaanse invasie in Irak. Door de langdurige regeerperiode is de partij sterk verweven met het bedrijfsleven en de bureaucratie. Ook de grote groei van de economie tot het einde van de jaren tachtig is op deze verbindingen terug te voeren. De onderlinge verbondenheid wordt ook wel "ijzeren driehoek" genoemd.

De partij is verdeeld in vijf belangrijke facties, wat ook tot sterke onderlinge conflicten heeft geleid. De verschillen tussen de facties hebben echter meer te maken met machtspolitiek binnen de partij, dan met onderlinge verschillende denkbeelden. De facties worden meestal vertegenwoordigd door toenmalige ministers-presidenten, die samen over de politieke programma's van de partij onderhandelen. De belangrijkste baantjes binnen de regering van het land worden eveneens op deze wijze verdeeld, waarbij meestal een rotatieprincipe wordt gehanteerd, zodat de samenhang binnen de partij wordt gegarandeerd.

Hoewel deze vorm van achterkamertjespolitiek bekend is bij de Japanse bevolking en vaak als ondemocratisch wordt veroordeeld, haalt de partij toch regelmatig de meerderheid bij de verkiezingen. De partij profiteert ook van het feit dat de Japanners voor hun keuze bij verkiezingen meer naar personen kijken dan naar partijprogramma's. De LDP lukt het telkens weer met naar buiten integer overkomende kandidaten te komen, terwijl de oppositiepartijen voor de meeste Japanners te radicaal overkomen.

Ontstaan[bewerken]

Op 11 november 1955 komt de LDP tot stand als gevolg van een samenvoeging van twee conservatieve partijen, Liberal Party onder leiding van Shigeru Yoshida en Japan Democratic Party onder leiding van Ichiro Hatoyama. Beide partijen waren kapitalistisch gericht met conservatieve doeleinden en een anticommunistisch beleid tijdens deze periode[1]. De beslissing om deze 2 partijen te verenigen was noodzakelijk om niet overschaduwd te worden door de socialistische partij[2]. Beide partijen waren enorm geliefd bij de bevolking en haalde een massa aan stemmen, maar geen van beide had voldoende om een meerderheid te behalen bij de generale verkiezingen[3]. De liberale partij wist 114 zetels te winnen en de democratische partij 185, maar toen de socialistische partijen[4] besloten zich te combineren en zo 156 zetels te behalen voelde ze zich bedreigt en vormden dan zelf de LDP[5].

Vervolgens oversteeg de LDP de socialistische partij en werd Ichiro Hatoyama de eerst minister van Japan afkomstig van de LDP. Onder zijn beleid werd er nieuw leven geblazen in de diplomatieke relatie tussen de Sovjet Unie en Japan.

Monopolie(1955-1993)[bewerken]

Sinds de opkomst van de partij in 1955 genoot deze tot 1993 een politieke monopolie zonder oppositie. De eerste ministers die hieruit volgden waren allen afkomstig van de LDP. Het initiële succes was te danken aan het groot aantal kiezers bij de vorming van de partij door de populariteit van de originele partijen.

Het welbevinden van de partij was evenzeer te danken aan de flexibiliteit die ze teweeg kon brengen, aangezien de partij opgebouwd is uit verschillende andere facties[6]. Dezen komen overeen in de algemene conservatieve denkwijze maar verschillen drastisch in het gedacht van de uitwerking hiervan.

De voornaamste reden van de onafgebroken macht dankten ze echter niet aan de grote hoeveelheid kiezers, maar aan het verkiezingssysteem dat uitgebuit kon worden om het maximaal aantal zetels te behalen, wat ze met succes deden tot de hervorming ervan in 1994.

Geldsteun Amerika[bewerken]

In de jaren 50 en 60 in de periode van de koude oorlog kreeg de LDP in het geheim fondsen van de CIA[7]. De voornaamste reden hiervoor was dat de V.S. communistische en socialistische partijen in Japan buiten spel wou zetten. De uitvoering hiervan was strikt geheim en wordt tot op de dag van vandaag ontkent door de partij.

De financiële steun zou beëindigd zijn in 1970 wegens de financiële groei van het land. De steun was immers niet meer relevant omdat ze zichzelf perfect konden financieren.

Iron Triangle[bewerken]

Dit was een systeem gebruikt door de LDP om hun beleidsmaatregelen makkelijk officieel te kunnen invoeren. Dit systeem zou later door Koizumi Junichiro ontmanteld worden.

Het was een simpel maar zeer effectief systeem. Het bevat de relatie tussen Politiek (in dit geval de LDP omwille van hun monopolie), bureaucratie en bedrijven.

Bureaucraten maken de wetten, maar de wetten moeten worden goedgekeurd door de regering (op dit moment de LDP). De bedrijven zorgen op hun beurt voor werkgelegenheid in de privésector voor bureaucraten wiens loopbaan ten einde is gekomen[8]. In ruil voor deze banen maken de bureaucraten wetten gunstig voor het bedrijfsleven. De bedrijven op hun beurt financieren de LDP om toestemming te krijgen voor deze wetten. En de LDP heeft de macht wetten te blokkeren[9], dus passen bureaucraten deze aan tot uiteindelijk alle factoren voldaan zijn.

Verhouding Hogerhuis en Lagerhuis[bewerken]

Het Lagerhuis ofwel kamer genaamd bestaat momenteel uit 475 leden. Het Hogerhuis is opgemaakt uit 242 leden en staat ook bekend als de senaat. Als een wet wordt goedgekeurd in het Lagerhuis legt ment deze voor in het Hogerhuis voor uiteindelijke goedkeuring. Wanneer een wet in het Hogerhuis geweigerd wordt zal men deze opnieuw voorleggen in het Lagerhuis. Mits een meerderheid van 2/3 zal deze wet dan toch nog goedgekeurd worden ongeacht de beslissing van het Hogerhuis.

Leden in het Lagerhuis worden ten laatste vervangen om de 4 jaar. In het Hogerhuis vinden om de 3 jaar verkiezingen plaats voor de helft, dit wil zeggen dat iedereen 6 jaar dient in het Hogerhuis.

De LDP genoot een meerderheid van 2/3 in het Lagerhuis wat dus neerkwam op totale macht. Moest een wet worden geweigerd in het Hogerhuis kon de LDP deze goedkeuren met hun meerderheid in het Lagerhuis.

Verkiezingssysteem voor 1993[bewerken]

Het verkiezingssysteem voor 1993[10] zorgde voor competitie binnen de partij. Per district meerdere kandidaten verkozen voor een zetel in het Lagerhuis, tussen 2 en 6 kandidaten per district. In een district dat bestaat uit 3 zetels kunnen dus enkel de top 3 kandidaten deze zetel verkrijgen. Elke kiezer kreeg slechts 1 stem en deze stem ging rechtstreeks naar de persoon en niet algemeen naar de partij zelf.

Dit proces nam een aantal voorkomende fouten met zich mee die een partij kon maken, wat hen ervan weerhield om zo efficiënt mogelijk het maximaal aantal zetels te kunnen behalen.

  • Te veel kandidaten nomineren per district wat ervoor zorgde dat het aantal stemmen te dun verdeeld was.
  • Te weinig kandidaten nomineren.
  • Kandidaten nomineren die niet aan elkaar gewaagd zijn waardoor de uiteindelijke stemmen oneven verdeeld zijn. Dit wil zeggen dat een bepaald lid van de partij het zo goed deed dat hij de andere van de zelfde partij buiten spel zette.

Er waren meer zetels dan districten dus men moest meerdere kandidaten inzetten per district. Omwille van hun constante meerderheid in het Lagerhuis tot 1993 wisten ze dit systeem klaarblijkelijk goed te gebruiken.

De verdeling van districten was evenzeer in het voordeel van de LDP. De landelijke districten(hiervandaan verkreeg de LDP de meeste steun) over het algemeen meer zetels dan de stedelijke districten.

Premiers(1955-1993)[bewerken]

In deze tijd van politiek dominantie was elke eerste minister afkomstig van de LDP, hier volgt een beknopte lineaire opsomming van premiers met hun verwezenlijkingen tot 1993 wanneer de LDP van zijn troon gestoten werd.

Naast elke premier wordt de ambtsperiode weergeven.

Ichiro Hatoyama(1955-1956)[bewerken]

Hatoyama Ichiro

Medeverantwoordelijk voor de oprichting van de LDP en werd vervolgens benoemd tot president van de partij in november 1955. Hij was al langer premier, maar pas 22 november president van de LDP.

Als eerste minister was Hatoyame de eerste Japanse politicus die televisie en radio als middel gebruikte tijdens zijn campagne. Hij slaagde erin de relaties met andere Aziatische landen te verbeteren en de diplomatieke banden met de Sovjet Unie te herstellen om zo handel te kunnen hervatten. Pogingen om terug grip te krijgen op de eilanden Habomai, Shikotan, Kunashiri en Etorofu[11] liepen op tot een sterk meningsverschil waardoor er geen formeel vredesakkoord werd ondertekend[12].

Tanzan Ishibashi(1956-1957[bewerken]

Zijn politieke loopbaan was van korte duur. Zijn beleidsplannen waren populair bij de bevolking, waaronder het verbeteren van werkgelegenheid en productiviteit maar helaas bleef het bij uitspraken omwille van gezondheidsredenen. Hierdoor moest hij zijn positie als eerste minister afstaan na negen weken.

Nobosuke Kishi(1957-1960)[bewerken]

Het beleid van Kishi[13] begint met het benadrukken van de relatie tussen de V.S. en Japan alsook de spanningen te verlichten met zuidelijke Aziatische landen.

Zijn meest memorabele verwezenlijking was de herziening van het “Japan-U.S. secuirity treaty” in 1960. De bedoeling hiervan was de relatie tussen beide naties op gelijke voet te zetten en onafhankelijke diplomatie van Japan te herstellen zonder rekening te houden met de wil van het Japanse volk. Kishi gebruikte zijn conservatieve parlementaire meerderheid om het aangepaste verdrag te ratificeren, terwijl de oppositiepartijen de sessie in het Diet[14] probeerden te boycotten. Dit werd gezien als ondemocratische en lokte grootschalige publieke demonstraties tegen Kishi.

Als gevolg besloot hij naderhand af te treden als eerste minister maar bleef wel nog steeds een actief lid bij de LDP.

Hayato Ikeda(1960-1964)[bewerken]

Ikeda Hayato

Deze man was verantwoordelijk voor de fenomenale economische groei van Japan in de jaren 60. Zijn intentie was het inkomen te verdubbelen binnen tien jaar, hij realiseerde dit in zeven jaar. Zo evolueerde Japan tot de tweede grootste economische macht ter wereld. Het plan om de economie te stabiliseren bedacht hij samen met Joseph Dodge[15]. Zijn beleid hield in de publieke sector uitgaven te vergroten, belastingen verminderen alsook pogingen om de inflatie en rentevoeten laag te houden. Dit bracht echter enkele negatieve gevolgen met zich mee zoals vervuiling, verlaten boerderijdorpjes en overbevolking van de steden. In 1964 trad Ikeda af als eerste minister omwille van gezondheidsredenen.

Eisaku Sato(1964-1972)[bewerken]

Zijn beleid legde de focus op sociale ontwikkeling en respect voor humane waardigheid. Hij had ook een vast standpunt tegenover nucleaire wapens, niet produceren, niet bezitten en niet introduceren wat leidde tot het tekenen van “Treaty of Non-proliferation of Nuclear Weapons”. Later kreeg hij omwille van deze acties de nobel prijs voor vrede in 1974.

Hij was positief ingesteld tegenover de acties van de V.S. in Vietnam[16]. In 1969 kwam hij tot een akkoord met toenmalig president van de V.S., Richard M. Nixon zodat Okinawa[17] terug als Japans grondgebied beschouwd werd. Ook moesten de Amerikanen al hun nucleaire wapens van het eiland weghalen, Sato verlengde wel het “U.S.-Japanese Mutual Security Treaty”, dit zorgde ervoor dat Amerikaanse troepen toestemming kregen op Okinawa te blijven ondanks het terug in Japanse handen was.

Kakuei Tanaka(1972-1974)[bewerken]

Was een zeer autoritaire, atypisch leider. Hij trouwde met een dochter van een bouwmandaad om een positie te bemachtigen als minister van internationale handel en industrie binnen het kabinet van Sato Eisaku.

Hij hield zich bezig met problemen zoals de ontvolking van de landelijke gebieden en overbevolking van de steden. Het eerste belangrijke punt op zijn agenda was het verbeteren van de relaties tussen Japan en China[18]. Dit Leidde tot het tekenen van de “Joint Communique” tussen Japan en China, wat ervoor zorgde dat de relaties stabiliseerden en de communistische regering in China erkend werd.

Tijdens zijn ambtsperiode was er ook sprake van stijgende inflatie. Als reactie hierop poogde hij enkele maatregelen zoals “Law Concerning the Prevention of Cornering and Hoarding” die hier verandering in moeste brengen maar zonder succes. In 1974 kwam de “National Land Use Planning Law” wat als doel had de natuurlijke omgevingen te beschermen en landprijzen te stabiliseren.

Tijdens de verkiezingen in het Hogerhuis in 1974 maakte zijn partij een zwakke opkomst. Dit samen met beschuldigingen van corruptie en illegale praktijken met betrekking tot bouwbedrijven en onroerend goed zorgde dit ervoor dat hij aftrad in 1974.

Takeo Miki(1974-1976)[bewerken]

Hij was van het principe om een eerlijke politici te worden in tegenstelling tot zijn voorganger. Na zijn verkiezing poogde hij de LDP te hervormen en de Lockheed scandals te onderzoeken. Dit zorgde voor verdeeldheid binnen de partij waardoor hij uiteindelijk zijn politieke macht verloor en aftrad in 1976.

Takeo Fukuda(1976-1978)[bewerken]

Fukuda probeerde economische vooruitgang te boeken en werk te promoten, waarin hij ook grotendeels slaagde.

Het groeiende export surplus van Japan zorgde ervoor dat buitenlandse relaties verergerden. Ondanks deze moeilijkheden bleef Japan export en economische groei stimuleren.

In 1977 werden de relaties met de zuidoost Aziatische landen verbeterd. Dit kreeg de benaming “Fukuda Doctrine”, met de bedoeling om spirituele en vriendschappelijke banden te scheppen tussen de Aziatische landen en Japan.

In 1978 kwam een vriendschapsverdrag tot stand tussen de Volksrepubliek China en Japan, “Treaty of Peace and Friendship”. Dit bracht een conclusie tot de versterking van relaties die begon sinds het tekenen van de “Joint Communique” in 1972.

Fukuda hervormde ook de LDP zelf, hij wou meer samenwerking en eenheid binnen de partij. Hij voegde enkele maatregelen in die de partij functioneler moesten maken.

  • President moet verkozen worden door alle leden van de partij.
  • Stichting van Liberaal Nationaal Congres[19].
  • Pogingen tot elimineren facties binnen de partij en zo samenhorigheid te verbeteren.

Masayoshi Ohira(1978-1980)[bewerken]

Hij focuste zich op de binnenlands beleid en meer lokale autonomie, zoals zorgen voor meer werkgelegenheid en verlenging van werkloosheidsuitkeringen.

Hij werd gehospitaliseerd tijdens het voeren van campagne en stierf in 1980.

Zenko Suzuki(1980-1982)[bewerken]

Een belangrijk punt op zijn agenda was het heropbouwen van publieke financiën.

Hij kreeg te kampen met verschillende problemen zoals vergrijzing van de bevolking, daling van economische groei, handelsdisputen en beperkte voorraad energie.

Hij vervulde tevens een drie stappenplan dat moest zorgen voor economische openheid. Dit plan zorgde ervoor dat verschillend tarieven op producten verminderd of afgeschaft werden en ook versimpeling van inspectie op importproducten.

Yasuhiro Nakasone(1982-1987)[bewerken]

Wordt ook bekeken als de politieke zoon van Kakuei Tanaka.

Nakasone was vastberaden de banden me de V.S. te versterken door de handelsbarrières op Amerikaanse goederen te verminderen[20]. Hij had ook een goede band met president Ronald Reagan wat de relatie tussen de landen bevorderde. Hij was van principe veel geld te spenderen aan de nationale verdediging, wat voor wrijving zorgde in Japan.

Hij wilde Japan haar reputatie als één van leidende economische landen duidelijk maken door verschillende ontmoetingen te regelen met de bondgenoten van Japan. Hij nam ook maatregelen om de schulden van Japan te verminderen.

Ten einde van de tweede termijn van Nakasone begon Japan de macht van V.S. in de wereldeconomie te rivaliseren.

Noboru Takeshita(1987-1989)[bewerken]

Staat vooral bekend wegens het invoeren van de consumptietaks, dit zijn belastingen op consumptiegoederen. Dit moest zorgen voor een stabiele balans tussen inkomen, bezit en consumptie.

The Recruit Scandal zorgde voor verlies van vertrouwen onder de bevolking ten opzichte van de politieke wereld en als gevolg hiervan besloot Noboru Takeshita af te treden in 1989.

Sosuke Uno(1989-1989)[bewerken]

Na slechts een ruime maand besloot hij af te treden wegens het uitlekken van een seks schandaal met een geisha[21].

Toshiki Kaifu(1989-1991)[bewerken]

Niet in staat om echte veranderingen door te voeren. Is aan de macht tijdens een zeer moeilijke economische periode, ook wel “the lost decade” genoemd[22].

Toen zijn ambt ten einde kwam, besloot hij zich niet te benoemen als kandidaat voor de herverkiezing.

Kiichi Miyazawa(1991-1993)[bewerken]

Hij kreeg te kampen met geschillen binnenin de facties van de LDP en was niet in staat deze op te lossen en de partij te herenigen, dit was het begin van het einde va, haar hegemonie. In 1993 splitsen sommige van deze facties zich af om zich bij de oppositie te voegen[23]. In 1993 werd hij verplicht af te treden als eerste minister.

Ondergang[bewerken]

In 1993 kwam de LDP zijn einde tegemoet. De grootste reden hiervan was de afscheuring van de facties binnen in de partij, wat grotendeels een directe reactie was op de incompetentie van Kiichi Miyazawa om het verkiezingssysteem te hervormen.

Het aftreden van Kiichi Miyazawa markeerde aldus het einde van de monopolie van de LDP sinds de oprichting. Voor het eerst in 38 jaar verloren ze de controle. De grootste factie binnenin de LDP onder leiding van Hata Tsutomu scheurde zich af om de Japan Renewal Party te vormen. In de verkiezingen van 1993 behaalde de LDP slechts 223 zetels en de linkse anti-LDP coalitie[24] behaalde een meerderheid met 243 zetels. Dit wil zeggen dat de LDP voor het eerst niet in staat was de meerderheid te behalen en een regering te vormen. Zo werd in 1993 Morihori Hosokawa[25] van de JNP eerste minister.

De coalitie hield niet lang stand wegens de onmogelijkheid het eens te worden over het beleid, dit voornamelijk omdat de coalitie uit zoveel partijen bestond.

In 1994 sluit de LDP een coalitie met SDP om de coalitie te ondermijnen en een nieuwe coalitieregering te vormen, dit met succes. Zo werd Murayama Tomiichi van de Social Democratic Party[26] eerste minister (1994-1996). Hij deed er alles aan om de fragile coalitie bij elkaar te houden maar had nooit echt een vaste greep op de macht.

Verkiezingssysteem vanaf 1993[bewerken]

De verandering van het verkiezingssysteem was topprioriteit[27] voor de anti-LDP coalitieregering. Na 1993 veranderde het systeem van meerdere kandidaten per district zonder overdraagbare stemmen naar een systeem waar het volk kon stemmen op de partij en op een kandidaat.

Eén van de redenen om over te stappen naar dit systeem was om de competitie binnenin de partijen tegen te gaan. Zo konden de mensen op de partij en hun idealen stemmen in plaats van op personen te stemmen.

Premiers(1996-2009)[bewerken]

Na een korte periode waar de LDP buitenspel werd gezet kwam een coalitieregering aan de macht. In 1994 slaagde de LDP samen met de SDJP een regering te vormen door zelf een coalitie te vormen. Echter waren de dagen waarin de LDP volledige macht had voorbij, in 1996 werd de president van de LDP benoemd tot eerste minister en stond aan het hoofd van de coalitie.

Ryutaro Hashimoto(1996-1998)[bewerken]

De verkiezing van Hashimoto duidde de terugkeer van de LDP aan na een kort socialistisch regime.

Volgend op het aftreden van Murayama Tomiichi, de leider van SDPJ kwam Hashimoto aan de macht. Hij stond nu als premier aan het hoofd van de coalitie tussen de LDP en SDPJ die sedert 1994 standhield.

Hashimoto was een zeer charismatisch man die economische en financiële hervormingen doorvoerde om zo recessie tegen te kunnen gaan. Ook onderhandelde hij met de V.S. omtrent de militaire basis die zich op Okinawa bevind, ze kwamen tot een akkoord om te verkleinen en te reorganiseren.

In 1997 werd de toeneming van de nationale verkoop taks goedgekeurd, dit zou de begrotingstekorten van het land moeten reduceren maar had als gevolg dat de economie verder in recessie viel.

Keizo Obuchi(1998-2000)[bewerken]

Had niet echt het charismatische karakter dat Ryutaro Hashimoto had maar was zeer strategisch. Hij maakte het mogelijk dat de Japanse economie op korte termijn weer kon stijgen. Om dit op korte termijn te kunnen doen stijgen, was zijn doel publieke uitgaven te verhogen[28] en een verlaging van de belastingen.

Ook zorgde hij ervoor dat banken die op instorten stonden onder overheidscontrole geplaats werden. Er werden fondsen opgesteld om de banken financieel te steunen. Midden 1999 begon de Japanse economie opnieuw te stijgen.

Yoshiro Mori(2000-2001)[bewerken]

Na het overleiden van Keizo Obuchi werd Yoshiro Mori benoemd tot opvolger.

Mori zag een veelbelovende toekomst in de informatica sector en introduceerde de “e-Japan strategy” waarde zowel de overheid als private sector samen werken om de informatica revolutie te ondersteunen.

Uiteindelijk stond hij vooral bekend om zijn vele misplaatste uitspraken, hij was nooit echt populair tijdens zijn premierschap.

Junichiro Koizumi(2001-2006)[bewerken]

Junichiro Koizumi

Genoot een grote hoeveelheid populariteit onder de bevolking bij zijn opkomst.

Zijn economische hervormingsdoeleinden stootten wel op enkele tegenstad vanuit het Diet. Een deel van zijn plan was de privatisering van de post, wat angst met zich meebracht omwille van de mogelijkheid banen te verliezen.

Hoewel er over zijn beleidsplannen gedacht werd dat ze de recessie van het land op korte termijn enkel maar zouden schaden, bleef het volk toch positief en bleef zijn populariteit intact.

Koizumi was een diplomatiek conservatief en probeerde de banden met de V.S. te versterken, zo steunde hij het land zo goed mogelijk na de aanslagen op 11 september. Als gevolg van deze aanslag op de Twin Towers kwam de “Anti-Terror Act” tot stand. Dit hield in dat Japan tussenbeide mag komen wanneer hun bondgenoten aangevallen worden, wat daarvoor niet mogelijk was omwille van grondwetbeperkingen.

Wegens ambtstermijnbeperkingen van de partij verliet Koizumi zijn positie in 2006 om opgevolgd te worden door Shinzo Abe.

Shinzo Abe(2006-2007)[bewerken]

Op 52 jarige leeftijd werd hij de jongste premier ooit sinds wereldoorlog 2. Als opvolger van Koizumi nam hij ook stappen om de economische en fiscale hervormingen door te voeren. Hij reisde daarnaast naar Zuid Korea en de Volksrepubliek China om de diplomatieke banden de bevorderen.

Abe wou ook artikel 9[29] van de grondwet herzien. Omwille van verschillende interpretaties van de wet was het al mogelijk om de SDF[30] op te richten als verdedigingsmacht van Japan. Als reactie op de raketoefeningen van Noord Korea stelde Abe als woordvoerder voor dat Japan het recht had zichzelf eventueel preventief te verdedigen tegen een mogelijke toekomstige aanval.

In 2007 trad hij af wegens gezondheidsproblemen en onvoldoende steun vanuit het Hogerhuis. Hij zou in 2012 opnieuw verkozen worden als eerste minister.

Yasuo Fukuda(2007-2008)[bewerken]

Zijn vader was reeds ook premier van 1976 tot 1978. Hij verklaarde dat de LDP maar een kleine misstap nodig had om het vertrouwen van het volk te verliezen en stelde vast dat ze hard zouden moeten werken om de steun van het volk te kunnen behouden.

Zijn binnenlands beleid had betrekking op hervorming van het pensioensysteem dat ervoor zorgde dat personen boven 75 extra gezondheidszorg moesten betalen. Wegens een afkeuring van het Hogerhuis werd dit niet in werking gezet.

Taro Aso(2008-2009)[bewerken]

Kort na zijn verkiezing werd Japan ook een slachtoffer van de internationale financiële crisis.

In 2009 kondigde Aso generale verkiezingen aan, wat echter slecht afliep. Met een daling van maar liefst 177 zetels was de LDP niet langer de populairste partij, de democratische partij had nu de bovenhand met een stijging van maar liefst 195 zetels onder leiding van Yukio Hatoyama. Men spreekt hier van de grootste nederlaag van de LDP en dit moment kondigde opnieuw het einde aan van de partij tot 2012 wanneer Abe opnieuw verkozen wordt.

Standpunten[bewerken]

Doelstellingen van de partij zijn voornamelijk conservatief en kapitalistisch gericht. Echter beschikt de partij niet over een vaste ideologie omwille van hun lange regimes.

De generale richtlijnen zijn als volgt:

  • Snelle economische groei vooral gebaseerd op export. In zekere zin protectionisme.
  • Aanpassen van de grondwet, dit vooral omwille van artikel 9 zodat Japan weer kan beschikken over een eigen leger.
  • Goede samenwerking met de V.S.

Hedendaagse situatie[bewerken]

Shinzo Abe

Momenteel is het premierschap terug in handen van Shinzo Abe. Hij verkreeg het premierschap nadat de LDP in 2012 een enorme overwinning genoot tegenover de DPJ. De LDP behaalde hierbij maar liefst 297 zetels en de DPJ een magere 57.

Na zijn verkiezing lanceerde hij onmiddellijk een ambitieus economisch programma om de stervende economie van Japan opnieuw te stimuleren en zo ook de herstelling te versnellen in de noord oostelijke regio van Honshu[31]. Deze werd in 2011 getroffen door een aardbeving en tsunami. Dit beleid kreeg al snel de naam Abenomics.

Een van de hoofdpunten die Abe verwezenlijkt wil zien is nog steeds de hervorming van de grondwet, met name artikel 9. In 2014 keurde het kabinet een herinterpretatie goed van het artikel wat het makkelijker maakt voor Japan om militaire macht te gebruiken indien nodig. Dit ziet Abe echter nog maar als het begin en doet er zo veel mogelijk aan om dit artikel volledig te wijzigen. Hierop is vanuit het volk veel protest te vinden.

Voetnoten[bewerken]

  1. Koude oorlog.
  2. Japan Socialist Party.
  3. Van de 467 zetels zijn er 238 nodig om een meerderheid te behalen en een regering te vormen
  4. Leftist Socialist Party en Rightist Socialist Party.
  5. Het "1955-systeem"genaamd.
  6. Onderverdelingen binnen de politieke partij bestaande uit meer kleinere partijen als het ware.
  7. Central Intelligence Agency
  8. gemiddelde pensioensleeftijd ambtenaar is 53 jaar = amakudari.
  9. Om weerstand te bieden tegen een wetsverandering was 2/3 meerderheid nodig. De oppositie had toen slechts 1/3 van de beschikbare zetels waardoor de LDP vrij spel had.
  10. Stond bekend als "Medium-size election district".
  11. Betreft de Koerilen. Een eilandgroep ten noorden van Hokkaido.
  12. Betrekking tot wereldoorlog 2.
  13. Grootvader van Shinzo Abe, de huidige premier van Japan.
  14. Hogerhuis en Lagerhuis vormen samen het Diet.
  15. Bankier van de V.S. door de overheid gezonden om de economische moeilijkheden van Japan te bestuderen.
  16. Van 1955 tot 1975
  17. Bekend als de Ryuku archipel ten zuidwesten van Japan.
  18. Toen nog de Volksrepubliek China
  19. Verbetering van de organisatie en financiële situatie van de partij.
  20. Japan had een gesloten economie, wat inhield dat ze veel exporteerden maar niet veel importeerden.
  21. Japanse vrouwelijke entertainer.
  22. Staat voor het barsten van de zeepbel, het instorten van de Japanse economie in de jaren 90.
  23. 39 leden van de LDP scheurden zich af en diende een notie van geen vertrouwen in.
  24. Japan Socialist Party, Japan Renewal Party, Justice Party, Japan New Party, Democratic Socialist Party, New Party Sakigake, Social Democratic Federation.
  25. Origineel lid van de LDP maar verliet de partij in 1992 om zijn eigen partij op te richten, Japan New Party.
  26. Voorheen JSP, Japan Socialist Party.
  27. Dit was tevens ook hun enige verwezenlijking als regering.
  28. Hij deelde zelfs kortingsbonnen uit aan de bevolking om zo uitgaven te bevorderen.
  29. Houdt in dat Japan niet mag beschikken over een groot leger en geen agressieve militaire acties mag ondernemen
  30. Self Defence Force
  31. Het meest grote, belangrijkste en ook centrale eiland van Japan.

Bronnen[bewerken]

Boeken:

  • Scheiner,E.(2010). Democracy Without Competition In Japan. Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-60696-2

Artikels:

Originele pagina:

Externe link[bewerken]